202501531/1/R4.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2024 heeft het college zijn beslissing om op 20 maart 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 187,00, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 12 juli 2024 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Ercan, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 20 maart 2024 is aangetroffen in de vulopening van een ondergrondse restafvalcontainer ter hoogte van de Flakkeesestraat 57 in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
2. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij de doos niet naast de container heeft gezet. [appellante] voert aan dat zij ten tijde van de constatering van de overtreding met haar gezin in Polen was. Zij heeft een getuigenverklaring overgelegd van een medereiziger die kan bevestigen dat zij in de periode tussen 9 maart en 24 maart 2024 in Polen was. [appellante] stelt dat zij de doos voorafgaand aan haar vertrek in de portiek van haar appartementengebouw had gezet. Volgens haar is dat geen openbare ruimte, waardoor het niet te voorzien was dat een andere bewoner in haar afwezigheid de doos heeft weggehaald en vervolgens verkeerd heeft aangeboden.
2.1. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (hierna: het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2432). Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2. Door het adreslabel is de doos tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de doos. Met de stelling dat zij met haar gezin in Polen was en voor vertrek de doos in het portiek heeft neergezet, heeft [appellante] niet voldoende twijfel gezaaid dat zij niet de overtreder is. Ook als er vanuit wordt gegaan dat [appellante] in Polen was, heeft zij, door de doos te laten staan in de gemeenschappelijke portiek van het appartementengebouw, die vrij toegankelijk is voor de bewoners van de andere appartementen, de kans aanvaard dat een ander de doos zou meenemen en verkeerd zou aanbieden ter inzameling. Ook als dat is gebeurd, kan zij worden aangemerkt als overtreder.
Aangezien [appellante] niet voldoende twijfel heeft gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat zij de doos verkeerd heeft aangeboden, heeft het college haar terecht als overtreder aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
3. [appellante] betoogt verder dat het college in het besluit van 12 juli 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd dat de kosten voor het verwijderen van de doos redelijk zijn.
3.1. In artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
3.2. Het college heeft kosten moeten maken voor het verwijderen van de doos. Het bedrag van € 187,00 dat het college bij [appellante] in rekening heeft gebracht, zijn de kosten die het college daadwerkelijk heeft gemaakt voor het verwijderen van de doos. Het college heeft in het besluit van 12 juli 2024 toegelicht dat het gaat om kosten voor het verwijderen, onderzoeken en afvoeren van de doos. [appellante] heeft niet onderbouwd dat het college de doos niet heeft verwijderd of de kosten daarvoor niet heeft gemaakt. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bedrag van € 187,00 onredelijk hoog is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
6. Ten aanzien van het in deze procedure geheven griffierecht overweegt de Afdeling als volgt. Voor de behandeling van het beroep van [appellante] is abusievelijk een bedrag van € 53,00 als griffierecht geheven, terwijl in 2024, toen Brojewksa beroep instelde, het verschuldigde griffierecht € 51,00 bedroeg. Het te veel betaalde griffierecht ten bedrage van € 2,00 zal worden terugbetaald.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] het door haar te veel betaalde griffierecht ten bedrage van € 2,00 voor de behandeling van het beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door B.P.M. Van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
1096