ECLI:NL:RVS:2025:5848

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202405225/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 3:227 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing overneming private schulden kinderopvangtoeslagaffaire

De zaak betreft het hoger beroep van een erkende gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire tegen de afwijzing van zeven aanvragen om overneming van private schulden door de Belastingdienst/Toeslagen. De aanvragen zijn ingediend bij Sociale Banken Nederland en afgewezen met verwijzing naar specifieke afwijzingscodes.

De rechtbank had het bezwaar tegen het besluit deels gegrond verklaard en het besluit gedeeltelijk vernietigd, met behoud van de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, voor zover aangevallen.

Een belangrijk twistpunt betrof de opeisbaarheid van een schuld aan de Stadsbank van Lening, waarbij de gedupeerde stelde dat de schuld per direct opeisbaar was vanwege niet-betaalde rente en beleningskosten, wat leidde tot executieveiling van sieraden. De Afdeling oordeelde dat de overeenkomst steeds werd verlengd en dat er geen opeisbare vordering ontstond zolang de beleentermijn werd verlengd, waardoor het beroep faalde.

De Afdeling oordeelde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden en bevestigde het besluit van de rechtbank. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 3 december 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202405225/1/A2.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2024 in zaak nr. 24/665 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluiten van 16 maart 2023 en 7 april 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen zeven aanvragen van [appellante] om overneming van private schulden afgewezen.
Bij besluiten van 18 december 2023 heeft de minister, in diens hoedanigheid van rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2023 gedeeltelijk vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.A. Dayala, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Rhebergen en mr. A. Divis-Stein, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht).
2.       In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, volgt dat schulden slechts worden overgenomen, indien zij zijn ontstaan na 31 december 2005, voor 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3.       [appellante] is erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft zeven aanvragen bij Sociale Banken Nederland ingediend om overname van schulden. De aanvragen zijn afgewezen met vermelding van een code die verwijst naar een afwijzingsgrond.
4.       De rechtbank heeft overwogen dat de minister ten onrechte bij de afwijzing van het bezwaar tegen het vijfde besluit code 18 heeft gehandhaafd. Volgens deze code is er geen schuld. De minister had echter code 16 moeten toepassen voor de belening van sieraden bij de Stadsbank van Lening van de gemeente Amsterdam (hierna: de Stadsbank). De Stadsbank heeft sieraden van [appellante] in onderpand genomen ter zekerstelling van een geldschuld. Het gaat hier daarom om een schuld, maar de schuld is niet opeisbaar. Uit de beleenovereenkomst blijkt immers dat de beleentermijn steeds door [appellante] verlengd kan worden. Zij heeft dit ook steeds gedaan. De sieraden zijn niet het eigendom van de Stadsbank geworden.
5.       [appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Zij betoogt dat de openstaande schuld per direct opeisbaar is in het geval de rente en beleningskosten niet periodiek worden voldaan. Het onderpand wordt dan zonder nadere aankondiging verkocht op de executieveiling. Zij is een groot deel van haar sieraden kwijtgeraakt, omdat zij niet over de financiële middelen beschikte om de periodieke kosten te voldoen, waarna de sieraden zonder nadere aankondiging zijn geveild. Zij vindt dat wel degelijk sprake is van opeisbaarheid en dat de schuld voor overname in aanmerking komt.
5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, loopt een overeenkomst door, indien een betrokkene de beleentermijn verlengt (uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2069). Wanneer de overeenkomst niet wordt verlengd en de beleentermijn afloopt zonder dat de pandbelener de leensom terugbetaalt, ontstaat voor dat bedrag geen opeisbare vordering van het pandhuis op de pandbelener, maar is de vordering op het pand verhaald, zoals bedoeld in artikel 3:227 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Hieruit volgt dat het betoog faalt.
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
7.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
452-1175