ECLI:NL:RVS:2025:5852

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202503770/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen spoedeisende bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad heeft op 8 januari 2025 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een huisvuilzak te verwijderen die naast een afvalcontainer was aangetroffen. Het college stelde dat appellant de overtreder was, omdat in de zak een poststuk met zijn adres was gevonden.

Appellant betwist dat de huisvuilzak van hem afkomstig is en wijst erop dat hij pas sinds 21 november 2024 op het adres woont en dat de post niet op zijn naam stond, maar op die van de vorige bewoner. Hij stelt dat het afval waarschijnlijk door de vorige bewoner verkeerd is aangeboden.

De Afdeling bestuursrechtspraak hanteert een bewijsvermoeden dat indien afval tot een persoon te herleiden is, deze als overtreder kan worden aangemerkt, tenzij die persoon voldoende twijfel zaait over zijn verantwoordelijkheid. In deze zaak is het poststuk geadresseerd aan het adres van appellant en is het niet aannemelijk dat het afval wekenlang onopgemerkt heeft gelegen. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die het bewijsvermoeden ontkrachten.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en hoeft het college geen proceskosten te betalen.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden van huishoudelijk afval wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202503770/1/R4.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 januari 2025 heeft het college zijn beslissing om op diezelfde dag spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Zaandam 2020 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 210,00, voor rekening van [appellant] komen.
Bij besluit van 5 juni 2025 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F.P. Brouwer en A. Lourens, is verschenen.
Overwegingen
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak, die op 8 januari 2025 is aangetroffen naast de afvalcontainer met nummer 77580 aan de Gibraltar in Zaandam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een poststuk is aangetroffen met zijn adresgegevens.
2.       [appellant] betwist dat de huisvuilzak van hem afkomstig zijn. Hij stelt dat het afval waarschijnlijk verkeerd is aangeboden door de vorige bewoner van zijn woning. Hij wijst er in dit verband op dat hij pas sinds 21 november 2024 op zijn huidige adres woont en dat op het aangetroffen poststuk wel dat adres, maar niet zijn naam staat. Volgens hem is dat onvoldoende om hem als overtreder aan te merken, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).
3.       Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij dus de overtreder is (hierna: het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, waar [appellant] ook naar verwijst.
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel trekt. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
4.       Aangezien het aangetroffen poststuk is geadresseerd aan het adres van [appellant], moet in beginsel worden aangenomen dat het poststuk op dat adres is bezorgd, zodat [appellant] het poststuk heeft ontvangen. Dat [appellant] nog niet zo lang op zijn huidige adres woont en dat de naam op de envelop die van de vorige bewoner is, maakt dat niet anders. Bij een recente verhuizing zou het kunnen zijn dat de vorige bewoner de post nog heeft ontvangen, maar dat is in dit geval niet waarschijnlijk gelet op het tijdsverloop. [appellant] is namelijk op 21 november 2024 verhuisd, en de huisvuilzak met daarin de envelop is pas weken later, op 8 januari 2025, naast de afvalcontainer aangetroffen. Het college heeft op de zitting toegelicht dat het niet mogelijk is dat de huisvuilzak wekenlang onopgemerkt naast die afvalcontainer heeft gelegen, omdat daar helaas vaak veel afval verkeerd wordt aangeboden en dat daarom dat afval dagelijks wordt opgehaald.
Omdat dus mag worden aangenomen dat [appellant] de envelop op zijn adres heeft ontvangen, is de aangetroffen huisvuilzak tot hem herleidbaar. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd die in twijfel trekken dat hij degene is geweest die de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden.
Het betoog slaagt niet.
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te betalen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
860