ECLI:NL:RVS:2025:5853

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202503792/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit bestuursdwang en kostenoplegging wegens verkeerd aanbieden afval

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 8 februari 2025 spoedeisende bestuursdwang toegepast wegens het verkeerd aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen naast een papiercontainer. Het college legde de kosten van deze bestuursdwang, € 199,57, bij appellant neer. Appellant betwist dat zij de afvalstoffen verkeerd heeft aangeboden en onderbouwt dit met bewijs van haar afwezigheid door een zakenreis en weersomstandigheden.

Het college stelt dat het afval door appellant of iemand in haar opdracht is aangeboden, mede omdat gezinsleden op hetzelfde adres wonen. De Raad van State verwijst naar vaste rechtspraak dat bij herleidbaarheid van afval naar een persoon een bewijsvermoeden geldt dat deze persoon de overtreder is, tenzij voldoende twijfel ontstaat.

De Raad oordeelt dat appellant voldoende twijfel heeft gecreëerd over haar verantwoordelijkheid, mede door haar reisbewijs en het weerbeeld dat de staat van de envelop verklaart. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant toch de overtreder is. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bezwaarbesluit vernietigd en het primaire bestuursdwangbesluit herroepen. Het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot bestuursdwang en kostenoplegging wordt vernietigd en herroepen.

Uitspraak

202503792/1/R4.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Den Haag,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2025 heeft het college zijn beslissing om op 27 januari 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 12 juni 2025 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door H. Benhammou en mr. F. van Ommeren, is verschenen.
Overwegingen
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen envelop, die op 27 januari 2025 is aangetroffen naast een papiercontainer aan de Regentesselaan in Den Haag, bij huisnummer […]. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de envelop verkeerd heeft aangeboden, omdat op de envelop een adreslabel zat met haar naam en adres.
2.       [appellante] betwist dat zij de kartonnen envelop verkeerd heeft aangeboden. Zij stelt dat zij op 26 januari 2025 voor enkele dagen op zakenreis naar het buitenland is gegaan en daarom de envelop niet een dag later bij de papiercontainer heeft kunnen achterlaten. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een uitdraai van de boekingsbevestiging van haar vliegticket overgelegd en een kopie van de onkostenvergoeding van haar werkgever. Daarbij is het volgens [appellante] ook niet mogelijk dat zij de envelop voorafgaand aan haar reis naast de papiercontainer heeft gezet. Zij wijst er in dit verband op dat het zowel op 26 als op 27 januari 2025 regende. Zij heeft hierbij een overzicht van het weer in Den Haag in januari 2025 overgelegd. [appellante] stelt dat een envelop die al sinds de vorige dag in de regen heeft gestaan, niet schoon en droog meer is. De envelop die op de foto staat in het controlerapport van de toezichthouder ziet er volgens haar wel schoon en droog uit. Tot slot stelt [appellante] dat zij altijd zorgt dat zij haar afval op de juiste manier afvoert.
2.1.    Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat als [appellante] de envelop niet zelf naast de papiercontainer heeft gezet, er dan vanuit moet worden gegaan dat iemand anders dat in opdracht van haar heeft gedaan, zodat de overtreding alsnog aan [appellante] is toe te rekenen. Het college wijst er in dit verband op dat verschillende gezinsleden van [appellante] op haar adres wonen.
2.2.    Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij dus de overtreder is (hierna: het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel trekt. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.3.    Door de adreslabel op de kartonnen envelop is die tot [appellante] te herleiden. Dat betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de envelop.
[appellante] heeft met stukken onderbouwd dat zij de envelop niet op 27 januari 2025 naast de afvalcontainer heeft kunnen zetten, omdat zij een dag daarvoor naar het buitenland was vertrokken. Verder is het onwaarschijnlijk dat de envelop al eerder verkeerd was aangeboden, gelet op de staat van de envelop, zoals die te zien is op de foto’s van de toezichthouder, en de plaatselijke weersomstandigheden. Dit samenstel van omstandigheden trekt voldoende in twijfel dat [appellante] degene is die de envelop naast de papiercontainer heeft gezet. Het college heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat zij toch de overtreder is. De enkele stelling dat misschien iemand anders in haar opdracht de envelop ter inzameling heeft aangeboden, is onvoldoende om [appellante] toch als overtreder aan te merken. Het college heeft haar dus ten onrechte als overtreder aangemerkt.
Het betoog slaagt.
3.       Het beroep is gegrond. Het besluit van 12 juni 2025 moet worden vernietigd. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 8 februari 2025 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit heeft tot gevolg dat als [appellante] het bedrag van € 199,57 al heeft betaald, het college dit bedrag zal moeten terugbetalen.
4.       Het college hoeft geen proceskosten te betalen. Het college moet [appellante] wel het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep gegrond;
II.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 12 juni 2025, kenmerk JBN.2025.00714.001;
III.      herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 8 februari 2025, kenmerk VTH2025-19668;
IV.      bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
V.       gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
860