202503648/1/R4.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2025 heeft het college zijn beslissing om op 6 februari 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 26 mei 2025 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door H. Benhammou en mr. F. van Ommeren, is verschenen.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos voor een televisie, die op 17 maart 2025 is aangetroffen naast een afvalcontainer aan de Rechterenstraat in Den Haag, bij huisnummer […]. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat op de doos een adreslabel zat met zijn naam en adres.
2. [appellant] bestrijdt niet dat de doos van hem afkomstig is, maar hij betwist dat hij degene is die de doos verkeerd heeft aangeboden. Hij stelt dat hij de doos tijdelijk buiten de voordeur had geplaatst en een afspraak wilde maken om die te laten ophalen door de vuilnisophaaldienst. In de tussentijd heeft echter een goedbedoelende buurman zonder zijn medeweten de doos verwijderd en verkeerd naast de afvalcontainer gezet, aldus [appellant].
2.1. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij dus de overtreder is (hierna: het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432. Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel trekt. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2. Door het adreslabel is de doos tot [appellant] te herleiden en [appellant] heeft bevestigd dat de doos van hem afkomstig is. Dat betekent dat het college er vanuit mag gaan dat hij degene is die de doos naast de afvalcontainer heeft gezet. Met zijn niet onderbouwde stelling dat hij van plan was om de doos aan de ophaaldienst aan te bieden en dat een buurman de doos verkeerd heeft aangeboden, heeft [appellant] dat bewijsvermoeden niet ontkracht. Het college heeft [appellant] dus als overtreder mogen aanmerken.
Het betoog slaagt niet.
3. [appellant] betoogt verder dat de kosten van de bestuursdwang, die op hem zijn verhaald, onevenredig hoog zijn. Hij meent dat de kosten niet in een goede verhouding staan tot het doel van de bestuursdwang en dat het college had moeten volstaan met een waarschuwing, of in elk geval de kosten had moeten matigen.
3.1. In artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht staat: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."
4. Doordat de doos verkeerd is aangeboden, heeft het college kosten moeten maken voor het verwijderen daarvan. In beginsel behoren die kosten voor rekening van de overtreder te komen en niet, zoals het geval zou zijn als het college alleen een waarschuwing zou geven, voor rekening van de gemeenschap.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft het college [appellant] terecht aangemerkt als overtreder. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de door het college gemaakte kosten redelijkerwijze niet voor zijn rekening behoren te komen.
In dit geval is het college overigens al, conform zijn beleid bij een eerste overtreding, coulant geweest. In de bijlage bij het besluit van 20 februari 2025 staat dat de kosten voor het opruimen van de doos € 316,89 bedragen, maar daarvan heeft het college slechts een gedeelte, een bedrag van € 199,57, bij [appellant] in rekening gebracht.
Het betoog slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
860