ECLI:NL:RVS:2025:5863

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202105275/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.P.M. van Ravels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19.7 bestemmingsplanArt. 6 WgvArt. 3 lid 1 verordeningWet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke toetsing wijzigingsplan uitbreiding woningen en parkeerbalans in Venray

Het college van burgemeester en wethouders van Venray stelde op 21 juni 2021 een wijzigingsplan vast waarmee twee logiesappartementen worden omgezet in reguliere wooneenheden, waardoor het aantal woningen op het perceel stijgt van één naar drie. Appellanten, buren van het perceel, maakten bezwaar vanwege mogelijke belemmeringen in de bereikbaarheid van hun perceel en vermeende schending van de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 19.7 van het bestemmingsplan.

De Afdeling bestuursrechtspraak toetste of de uitbreiding vanuit planologisch en stedenbouwkundig oogpunt passend was, of de belangen van omwonenden onevenredig werden geschaad, en of de parkeerbalans nadelig werd beïnvloed. De Afdeling oordeelde dat het college terecht aannam dat de wijziging in de bestaande bebouwing plaatsvindt en passend is in de woonomgeving. Ook werd vastgesteld dat het recht van overpad en de parkeermogelijkheden voldoende gewaarborgd blijven.

Verder concludeerde de Afdeling dat de milieuhygiënische uitvoerbaarheid niet in het geding is, omdat de paardenhouderij niet bedrijfsmatig is en de afstand tot de woningen ongewijzigd blijft. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de beroepsprocedure met 27 maanden werd overschreden, waarna een forfaitaire schadevergoeding van € 2.500,00 werd toegekend, te verdelen over appellanten.

Uitkomst: Het beroep wordt afgewezen en het wijzigingsplan bevestigd; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van € 2.500,00 wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

202105275/1/R2.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellanten]), wonend in Wanssum, gemeente Venray,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Venray,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2021 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie]" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellanten] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant B] en het college hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 23 september 2025, waar [appellant B], vertegenwoordigd door mr. E.H.E.J. Wijnen, advocaat in Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door ing. H.C.A. Willems, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
Het ontwerp van het wijzigingsplan is op 30 oktober 2020 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
[appellant B] woont op het naastgelegen perceel aan de [woonlocatie] en houdt paarden. Op het voormalige gezamenlijke erf van beide woningen heeft hij een erfdienstbaarheid in de vorm van een recht van overpad. Hij is het niet eens met het plan, omdat hij vreest door de toename van het aantal woningen te worden belemmerd in de bereikbaarheid van zijn perceel en omdat volgens hem niet is voldaan aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 19.7 van het bestemmingsplan.
Toetsingskader
Ingetrokken beroepsgrond
De voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid
"Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' kan het bevoegd gezag toestaan dat het aantal woningen wordt uitgebreid naar maximaal 3 woningen onder de voorwaarden dat:
Is de ontwikkeling vanuit planologisch/stedenbouwkundig oogmerk passend in de omgeving? (voorwaarde a)
Daarnaast voert [appellanten] aan dat de bebouwing naast de al bestaande woning en dagopvang eerst werd gebruikt voor logies met een tijdelijk karakter. Door de komst van twee nieuwe woningen met een intensiever gebruik dan logies wordt het feitelijk te druk om alle toegestane functies in te passen.
7.1.    Het college heeft er in de plantoelichting op gewezen dat de nieuwe woningen in de bestaande bebouwing komen in plaats van de twee logiesappartementen, zodat er in fysiek opzicht niets verandert. Volgens het college is de bestaande bebouwing in het bestemmingsplan al stedenbouwkundig ingepast in de woonomgeving. Weliswaar wordt het gebruik van de twee woningen anders dan het gebruik van de twee bestaande appartementen voor logies, maar die bewoning is volgens het college passend in de woonomgeving. Het perceel had al de bestemming "Wonen" en wordt omgeven door percelen met een woonbestemming. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de ontwikkeling vanuit planologisch en stedenbouwkundig oogmerk passend is in de omgeving en dat daarmee het wijzigingsplan niet in strijd is met artikel 19.7, aanhef en onder a, van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Worden de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden niet onevenredig geschaad en wordt de parkeerbalans niet onevenredig nadelig beïnvloed? (voorwaarden b en d)
[appellanten] voert aan dat het wijzigingsplan een beperking oplevert voor zijn recht van overpad, omdat een gedeelte van het voormalige gezamenlijke erf waarop deze erfdienstbaarheid rust zal worden gebruikt als parkeerplaats voor de woningen. Hierdoor kan hij zijn achtergelegen perceel, waar zijn paarden worden gehouden, moeilijker bereiken met een voertuig met trailer. [appellant B] voert daartoe met een tekening aan dat de schets van het overpad in de notariële akte niet beperkt moet worden uitgelegd, maar ook een draaicirkel over de binnenplaats voor het voertuig veronderstelt. De schets uit de akte is volgens [appellant B] ook onjuist ingetekend in de plantoelichting waardoor er minder ruimte overblijft. Daarnaast vreest hij voor overlast van meer bezoekers en meer verkeersbewegingen.
Verder voert [appellanten] aan dat het college bij de vaststelling van het wijzigingsplan de parkeervraag heeft onderschat, waardoor de parkeerbalans onevenredig nadelig wordt beïnvloed. Door de functiewijziging zijn drie extra parkeerplaatsen nodig. Ook moet volgens hem rekening worden gehouden met de bestaande parkeerplaatsen die nodig zijn voor het dagactiviteitencentrum. Door de toegenomen parkeerdruk en het vrijhouden van ruimte op het gezamenlijke erf vanwege de erfdienstbaarheid blijft er onvoldoende ruimte over om te parkeren.
8.1.    De Afdeling stelt vast dat het wijzigingsplan geen beperking oplevert voor het gebruik van de strook grond waarop het recht van overpad rust, zoals ingetekend op de schets bij de notariële akte. De door [appellanten] ingetekende draaicirkel maakt geen deel uit van het in de notariële akte ingetekende recht van overpad. Ter zitting is gebleken dat de strook grond niet helemaal correct is overgenomen in de tekening van de plantoelichting, maar ook met een juiste intekening blijft circa 160 m2 van het resterende erf over en is er voldoende ruimte om te parkeren en om van het recht van overpad gebruik te blijven maken.
Verder heeft het college in de plantoelichting toegelicht onder verwijzing naar de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ dat de nieuwe functie weliswaar zorgt voor een toename van verkeersbewegingen, maar dat deze relatief beperkte toename goed is op te vangen en geen probleem vormt voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Ook heeft het college toegelicht dat de toename van verkeersbewegingen niet zorgt voor onaanvaardbare hinder voor [appellanten], omdat het slechts gaat om een functiewijziging van bestaande bebouwing van logies naar "Wonen". Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de belangen van [appellanten] als eigenaar van de naastgelegen percelen niet onevenredig worden geschaad en dat daarmee het wijzigingsplan niet in strijd is met artikel 19.7, aanhef en onder b, van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
8.2.    Het college heeft in de plantoelichting uiteengezet dat voor de berekening van de parkeerbehoefte gebruik is gemaakt van de parkeernormen uit de Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray, waarin is aangesloten bij de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij heeft het college aangesloten bij de norm van 1,3 parkeerplaatsen per woning waardoor voor de nieuwe woonfunctie afgerond drie parkeerplaatsen nodig zijn.
Op zitting heeft het college toegelicht dat is uitgegaan van 185 m2 op het perceel om invulling te geven aan de parkeerbehoefte, maar dat na correctie een kleinere oppervlakte van ongeveer 160 m2 ook voldoende is om te voorzien in drie parkeerplaatsen, zonder dat dit een beperking oplevert voor het recht van overpad, waarvoor in de notariële akte alleen een strook van ongeveer vier meter breed is ingetekend. Bij deze oppervlakte heeft het college ook rekening gehouden met de reeds bestaande parkeerbehoefte voor het dagactiviteitencentrum onder de aanduiding ‘maatschappelijk’. Deze aanduiding wordt met het wijzigingsplan niet veranderd en leidt dus niet tot meer benodigde parkeerplaatsen op het perceel. Het college heeft daarmee onderbouwd dat een oppervlakte van ongeveer 160 m2 en de carport voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de functies wonen en maatschappelijk. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de parkeerbalans niet onevenredig wordt beïnvloed en dat daarmee het wijzigingsplan niet in strijd is met artikel 19.7, aanhef en onder d, van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Is er sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid? (voorwaarde c)
9.1.    Het college heeft onweersproken toegelicht dat het houden van de paarden op het achtergelegen perceel ondergeschikt moet blijven aan de woonfunctie op het perceel van [appellanten] en dat een bedrijfsmatige paardenhouderij onder de bestemming "Wonen" niet mogelijk is. Weliswaar houdt [appellanten] enkele paarden, maar het aantal wisselt en niet alle paarden staan op dit perceel. De Afdeling is met het college van oordeel dat het houden van paarden, gelet op het geringe en wisselende aantal dat op het perceel zelf gehouden wordt, niet bedrijfsmatig is of een omvang heeft alsof zij bedrijfsmatig is. De paardenhouderij is dan ook geen inrichting in de zin van de Wgv en hierdoor zijn de afstanden en geurnormen in artikel 6 van Pro de Wgv en artikel 3, eerste lid, van de verordening niet van toepassing en kan de verwijzing naar deze bepalingen [appellanten] niet baten. Vergelijk (onder 21.1 van) de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:354.
Het college heeft, anders dan door [appellanten] is gesteld, de geurbelasting van de paardenhouderij wel afgewogen in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Daarbij is het college tot de conclusie gekomen dat de woningen ruimtelijk aanvaardbaar zijn, omdat met de reeds aanwezige woning en logiesappartementen in de bestaande bebouwing al sprake was van gevoelige functies nabij de paardenhouderij van [appellant B] die niet wezenlijk veranderen en per definitie ondergeschikt moet blijven aan de woonbestemming. Verder wijzigt de afstand tussen de bestaande bebouwing waar de woningen in komen en de paardenhouderij niet. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid en dat het wijzigingsplan niet in strijd is met artikel 19.7, aanhef en onder c, van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
10.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
10.2.  De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellanten] ontvangen op 11 augustus 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 27 maanden overschreden.
10.3.  De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat betekent dat [appellant A] en [appellant B] in beginsel ieder recht hebben op een schadevergoeding van € 2.500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant A] en [appellant B] gezamenlijk procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen, in die zin dat zij ieder de helft van dat bedrag krijgen toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die [appellant A] en [appellant B] hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:245).
Conclusie
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
III.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 2.500,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boermans
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
429-1135