ECLI:NL:RVS:2025:5864

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202304390/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B. Blomberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:113 AwbWet ruimtelijke ordeningWet algemene bepalingen omgevingsrechtOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit handhaving parkeerplaatsen en paaltjes bij sportschool Amersfoort

De appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort om handhavend op te treden tegen het bedrijf dat verplaatsbare paaltjes met koord en een reclamebord op de middenstrook tussen hun percelen had geplaatst. Deze paaltjes belemmerden volgens haar de bereikbaarheid van haar parkeerplaatsen. Het college wees dit verzoek af, waarna de rechtbank dit besluit bevestigde. De appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat het college alleen kan handhaven bij overtreding van een wettelijk voorschrift. De paaltjes stonden niet exact op de perceelsgrens, maar vlak daarbij, en het college had vergunningvoorschrift 2 strikt uitgelegd. De Afdeling stelde dat vergunningvoorschrift 2 in samenhang met voorschrift 1 moet worden uitgelegd en dat het bedrijf niet vrij is om een erfafscheiding te plaatsen die de manoeuvreerruimte voor de appellante beperkt. De paaltjes beperken de bereikbaarheid van de parkeerplaatsen en overtreden daarmee het vergunningvoorschrift.

De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond. Het college moet een nieuw besluit nemen en beoordelen of handhaving op zijn plaats is. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een redelijke interpretatie van vergunningvoorschriften en het waarborgen van de bereikbaarheid van parkeerplaatsen voor beide partijen.

Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd en het beroep van de appellante gegrond verklaard vanwege overtreding van vergunningvoorschrift 2 door het bedrijf.

Uitspraak

202304390/1/R4.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Amersfoort,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 1 juni 2023 in zaak nr. 21/3971 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.
Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het college het verzoek van de [appellante] om handhavend op te treden tegen onder meer een gestelde overtreding van vergunningvoorschriften en het gesteld veroorzaken van hinder door [partij] h.o.d.n. [bedrijf] Amersfoort (hierna: [bedrijf]) op het perceel [locatie 1] in Amersfoort, afgewezen.
Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft het college het door de [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 juni 2023 heeft de rechtbank het door de [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de [appellante] hoger beroep ingesteld.
[bedrijf] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 oktober 2025, waar voor de [appellante] [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B], bijgestaan door mr. T.A.M. van Oosterhout, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Maaijen, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener in Leusden, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2.       De panden van de [appellante] en [bedrijf] liggen op aangrenzende percelen aan de [locatie 1 en 2] in Amersfoort. Tussen de beide panden in ligt een vanaf de openbare weg toegankelijk verhard terrein van 12 á 13 m breed die deels tot het ene perceel en deels tot het andere perceel behoort. Op dit terrein zijn tegen elk van de beide panden aan parkeervakken voor schuin parkeren aangebracht. De parkeervakken op het perceel van de [appellante] en de parkeervakken op het perceel van [bedrijf] zijn bereikbaar via een tussen die parkeervakken gelegen strook (hierna: de middenstrook) die deels op het perceel van de [appellante] en deels op het perceel van [bedrijf] ligt. De middenstrook kent één - dus gedeelde - inrit vanaf de Joannes Tolliusstraat. De [appellante] heeft het college gevraagd om handhavend op te treden tegen [bedrijf], omdat [bedrijf] op de middenstrook, tussen haar eigen parkeerplaatsen en die van de [appellante] in, verplaatsbare paaltjes heeft geplaatst die via een koord met elkaar verbonden zijn, met daarbij ook een verplaatsbaar reclamebord. Hierdoor zijn de parkeerplaatsen die horen bij het pand van de [appellante] volgens haar niet of nauwelijks meer bereikbaar, omdat er tussen de paaltjes met koord en haar parkeerplaatsen te weinig manoeuvreerruimte voor auto's over is. Het college heeft het verzoek afgewezen omdat dit volgens hem geen overtreding oplevert waartegen het handhavend kan optreden. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot dezelfde conclusie gekomen. De [appellante] is het niet eens met dit oordeel.
Afbakening geding
3.       De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college alleen bij een overtreding van een wettelijk voorschrift de bevoegdheid heeft om handhavend op te treden. De door de [appellante] in hoger beroep benadrukte omstandigheid dat zij door de paaltjes en het reclamebord wordt belemmerd in haar functioneren, en dat het belang bij goede zorg daardoor wordt aangetast, betekent op zichzelf nog niet dat sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift waartegen het college handhavend kan optreden. De door de Afdeling te beantwoorden vraag is of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van een dergelijke overtreding van een wettelijk voorschrift. De Afdeling zal dat aan de hand van wat de [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd beoordelen.
Overtreding bestemmingsplan?
4.       De [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [bedrijf] in strijd met het bestemmingsplan "Leusderkwartier 2008" handelt, omdat zij de [appellante] belemmert om haar perceel te gebruiken overeenkomstig de hier geldende bestemming "Maatschappelijke doeleinden".
4.1.    Het bestemmingsplan regelt welke bouwwerken en welk gebruik op de gronden binnen het plangebied zijn toegestaan, maar verplicht niet tot uitvoering daarvan. Het perceel van [bedrijf] heeft binnen de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" de aanduiding M(s) voor (onder meer) sport. Op grond van artikel 8, eerste lid, onder i, van de planvoorschriften, zijn hier ook parkeervoorzieningen toegestaan. Het plaatsen van de paaltjes en het reclamebord op de middenstrook ten behoeve van de sportschool van [bedrijf] is op zichzelf daarom niet in strijd met de planvoorschriften. Het bestemmingsplan, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bevatten geen afzonderlijk verbod op activiteiten die op zichzelf in overeenstemming zijn met de bouw- en gebruiksvoorschriften, maar ertoe leiden dat bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan voor omliggende percelen biedt worden beperkt of belemmerd. Alleen al daarom is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de paaltjes en het reclamebord geen overtreding van het bestemmingsplan opleveren.
Het betoog slaagt niet.
Overtreding vergunningvoorschriften?
5.       De [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [bedrijf] de vergunningvoorschriften die zijn verbonden aan de aan hem verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van de sporthal in zijn pand en het toevoegen van een woonfunctie (hierna: de omgevingsvergunning), heeft overtreden.
5.1.    De bedoelde vergunningvoorschriften luiden als volgt:
"1. Vergunninghouder is verplicht om de negen parkeerplaatsen die zijn vereist om aan de parkeerbehoefte te voldoen, uiterlijk binnen drie maanden na dagtekening van dit besluit te hebben gerealiseerd. Tevens is hij verplicht om de negen parkeerplaatsen vervolgens beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar te houden ten behoeve van het gebruik van het pand [locatie 1]. Het is vergunninghouder toegestaan om deze parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar te houden met behulp van een verwijderbare ketting of opklapbaar hekje per parkeerplek met inachtneming van het in voorwaarde 2 gestelde.
2. Het plaatsen van een hekwerk of andersoortige erfafscheiding door [bedrijf] op de perceelsgrens wordt niet toegestaan."
5.2.    Vaststaat dat [bedrijf] op de strook verplaatsbare paaltjes met een koord ertussen en een reclamebord heeft geplaatst. De paaltjes staan ongeveer in het midden van de strook, tussen de parkeerplaatsen van [bedrijf] en die van de [appellante] in. Het reclamebord staat vanaf de openbare weg gezien voor de paaltjes. De rechtbank heeft het college gevolgd in zijn standpunt dat dit geen overtreding van de vergunningvoorschriften inhoudt. Voorwaarde 2 verbiedt namelijk alleen het plaatsen van een dergelijke constructie op de perceelsgrens, aldus de rechtbank, en de paaltjes en het reclamebord staan niet op de perceelsgrens, maar op enige afstand van de perceelsgrens.
5.3.    Uit de foto's van de gemeentelijke toezichthouder leidt de Afdeling af dat de afstand tussen de paaltjes en de (vermeende) perceelsgrens ten tijde van de controles minimaal was. Zo is op foto's van een controle op 15 september 2020 te zien dat de afstand tussen de voet van de paaltjes en de lijn die het college als de perceelsgrens heeft beschouwd, de breedte van drie straatklinkers beslaat. Op de foto's van een controle op 29 september 2020 is te zien dat de voet van een van de paaltjes tegen de lijn die de perceelsgrens weergeeft aan staat. Verder is op de foto’s te zien dat de verplaatsbare paaltjes deels achter de inrit staan, waardoor deze feitelijk wordt versmald, althans als de paaltjes er staan niet volledig kan worden gebruikt. Het is geen punt van geschil dat deze foto's representatief zijn voor de bestaande situatie. [bedrijf] heeft op de zitting toegelicht dat hij de paaltjes met koord vlak achter de perceelsgrens heeft geplaatst, om zo te voorkomen dat er aan de kant van de [appellante] door bezoekers dubbel wordt geparkeerd op de middenstrook. Hij stelt dat dit voorheen regelmatig voorkwam, met als gevolg dat zijn parkeerplaatsen niet bereikbaar waren. Bezoekers van [bedrijf] kunnen gebruik maken van zijn parkeerplaatsen door over de middenstrook aan de kant van de [appellante] te rijden en het koord bij een van de palen los te maken en dan het perceel van [bedrijf] op te rijden naar een daar gelegen parkeerplaats.
De Afdeling moet de vraag beantwoorden of het college een juiste uitleg aan vergunningvoorschrift 2 heeft gegeven door ervan uit te gaan dat [bedrijf] de paaltjes op deze manier mag plaatsen, omdat deze niet op de perceelsgrens staan, maar daar vlak tegenaan.
5.4.    De Afdeling overweegt dat vergunningvoorschrift 2 zoals het college dat aan de omgevingsvergunning had verbonden, oorspronkelijk anders luidde, namelijk:
"Met betrekking tot de opmerking van Medisch Centrum Tollius dat een eventueel tussen beide percelen te plaatsen (vergunningvrij) hekwerk het parkeren op beide percelen ernstig zal belemmeren, dan wel onmogelijk zal maken, hebben wij hiervoor reeds gesteld dat er geen afspraken gemaakt zijn met het Medisch Centrum waaruit voortvloeit dat [bedrijf] niet zijn perceelsgrens zou mogen afbakenen. Tegelijkertijd merken wij op dat het naar onze mening een gezamenlijk belang is van zowel Medisch Centrum Tollius als vergunninghouder om de parkeerplaatsen goed bereikbaar te houden. Het ligt daarom voor de hand dat beide partijen zich zullen onthouden van handelingen die de bereikbaarheid en bruikbaarheid van de daar aanwezige parkeerplaatsen ernstig zullen belemmeren. Het plaatsen van een hekwerk of andersoortige erfafscheiding door [bedrijf] op de perceelsgrens wordt tegen die achtergrond niet toegestaan. De eventuele afscherming van de eigen parkeerplaatsen dient derhalve op enige afstand van de perceelsgrens aangebracht te worden. Deze voorwaarde vervalt echter indien objectief is vast te stellen dat de gebruikers van het Medisch Centrum zodanig frequent dubbel parkeren, dat de geparkeerde auto's min of meer fungeren als een erfafscheiding op de perceelsgrens, waardoor de bezoekers van [bedrijf] niet goed de parkeerplaatsen aan de zijde van de sportschool kunnen indraaien."
In haar uitspraak van 30 maart 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:1260) heeft de rechtbank Midden-Nederland het beroep van de [appellante] tegen de verlening van de omgevingsvergunning gegrond verklaard en het aangehaalde vergunningvoorschrift vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat een nieuw vergunningvoorschrift 2 aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, dat luidt zoals hiervoor onder 5.1 is weergegeven. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het vergunningvoorschrift zoals het college dat aan de omgevingsvergunning had verbonden, te vaag geformuleerd en daardoor rechtsonzeker was. De rechtbank heeft hier een andersluidend vergunningvoorschrift voor in de plaats gesteld, gelet op het belang dat het college voor ogen stond bij het stellen van de vergunningvoorschriften. Dat belang heeft de rechtbank omschreven onder 7 en 10.1 van de uitspraak. Hierin staat onder meer dat bij de beoordeling of de aanvraag vanuit een oogpunt van parkeren in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is, ook beoordeeld is of er voor de parkeerplaatsen van de [appellante] voldoende manoeuvreerruimte is, waarbij het college het uitgangspunt heeft gehanteerd dat het een locatie is waar zowel [bedrijf] als de [appellante] met elkaar rekening dienen te houden bij de bereikbaarheid van de parkeerplaatsen op beide percelen. Voor het inparkeren en uitrijden maken zij gebruik van elkaars percelen. Zij hebben elkaar dus nodig om op juiste wijze te parkeren en door middel van de vergunningvoorschriften heeft het college geprobeerd te komen tot een situatie die voor beide partijen werkzaam en aanvaardbaar is.
5.5.    Uit het voorgaande valt af te leiden dat de vergunningvoorschriften 1 en 2 in onderling verband moeten worden gezien en zijn opgenomen om ter plaatse een ruimtelijk aanvaardbare situatie te waarborgen. De vergunningsvoorschriften zijn nadrukkelijk niet gericht op het bieden van mogelijkheden aan [bedrijf] om dubbel parkeren op de middenstrook te voorkomen. De vergunningvoorschriften zijn erop gericht dat [bedrijf] maatregelen mag nemen om te voorkomen dat zijn eigen parkeerplaatsen worden ingenomen door bezoekers van de [appellante] en tegelijkertijd te waarborgen dat de parkeerplaatsen van de [appellante] en het gebruik van de middenstrook voor het in- en uitrijden daarvan niet wordt belemmerd. Ook niet voor zover voor het in- en uitrijden van die parkeerplaatsen gebruik wordt gemaakt van grond van de middenstrook die hoort tot het perceel van [bedrijf]. Bezoekers van [bedrijf] maken immers ook gebruik van grond die hoort tot het perceel van de [appellante] om de parkeerplaatsen van [bedrijf] te bereiken. De strekking van de vergunningvoorschriften zoals door het college gesteld en door de rechtbank aangepast, is dus dat zowel [bedrijf] als de [appellante] gebruik moeten kunnen blijven maken van de middenstrook, ook voor zover gelegen op elkaars percelen, om hun parkeerplaatsen te bereiken. Naar het oordeel van de Afdeling moet vergunningvoorschrift 2 tegen deze achtergrond worden uitgelegd.
5.6.    Dit leidt ertoe dat de term "op de perceelsgrens" in dit geval niet zo strikt mag worden uitgelegd, dat het [bedrijf] vrij zou staan om overal op zijn deel van de de middenstrook een hekwerk of andersoortige erfafscheiding (zoals de paaltjes met koord en het reclamebord) te plaatsen, behalve precies op de perceelsgrens. Een logische uitleg van de vergunningvoorschriften, die zoals hiervoor is overwogen in onderling verband moeten worden gezien, houdt naar het oordeel van de Afdeling in dat het [bedrijf] op basis van vergunningvoorschrift 1 wel is toegestaan om een hekwerk of andere voorziening per parkeerplek te plaatsen om te voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van zijn parkeerplaatsen door bezoekers van de [appellante], maar dat het op basis van vergunningvoorschrift 2 niet is toegestaan om met dat doel een hekwerk of andere erfafscheiding, in welke vorm dan ook, zodanig op de middenstrook te plaatsen dat bezoekers van de [appellante] effectief geen gebruik meer kunnen maken van grond van [bedrijf] om de parkeervakken van de [appellante] in- en uit te rijden. Daarbij overweegt de Afdeling dat het uitgangspunt dat er voldoende manoeuvreerruimte moet zijn, impliceert dat er méér ruimte moet zijn dan strikt noodzakelijk is voor auto's om de parkeerplaatsen feitelijk te kunnen gebruiken. Dat, zoals [bedrijf] naar voren heeft gebracht, de parkeerplaatsen van de [appellante] in de huidige situatie wel worden gebruikt, duidt er dus nog niet op dat er voldoende manoeuvreerruimte is zoals is beoogd met het betrokken vergunningvoorschrift. Het ligt voor de hand, mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van het door de rechtbank in een andere tussen partijen gevoerde procedure geformuleerde vergunningvoorschrift, om bij het bepalen wanneer sprake is van voldoende manoeuvreerruimte aan te sluiten bij de breedte van de inrit. In dit licht oordeelt de Afdeling dat het verbod voor het plaatsen van hekwerk of andersoortige erfafscheiding door [bedrijf] op de perceelsgrens in vergunningvoorschrift 2 zo moet worden uitgelegd, dat wordt aangesloten bij de breedte van de inrit vanaf de openbare weg naar de middenstrook. Het is [bedrijf] niet toegestaan om op de middenstrook in het verlengde van de volle breedte van de inrit een hekwerk of andere erfafscheiding, in welke vorm dan ook, te plaatsen die het gebruik van dit deel van de middenstrook door bezoekers van de [appellante] belemmert bij het in- en uitrijden door de manoeuvreerruimte te beperken.
5.7.    De Afdeling merkt hierbij nog op dat niet is gebleken dat het voor [bedrijf] bezwaarlijk is om dit voorschrift na te leven. Daarvoor is slechts nodig dat de verplaatsbare paaltjes wat worden opgeschoven in de richting van zijn eigen parkeerplaatsen. Voor zover de paaltjes momenteel ook effectief tegengaan dat op de middenstrook dubbel wordt geparkeerd, overweegt de Afdeling dat dubbel parkeren zo nodig ook kan worden tegengegaan door op de middenstrook, tussen de parkeerplaatsen van de [appellante] en die van [bedrijf] in, aanduidingen zoals een kruis of de letters NP aan te brengen. Op de zitting hebben de [appellante] en het college bevestigd dat zij daaraan willen meewerken.
5.8.    De conclusie is dat het college, voor de vraag of [bedrijf] door de plaatsing van de paaltjes met koord en het reclamebord vergunningvoorschrift 2 heeft overtreden, is uitgegaan van een te strikte uitleg van dat vergunningvoorschrift. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep van de [appellante] tegen het besluit van 13 augustus 2021 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen. Het college zal een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen, met inachtneming van wat de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen.
Concreet betekent dit dat het college de situering van de paaltjes met koord en het reclamebord, zoals vastgesteld door de gemeentelijke toezichthouder op 15 en 20 september 2020, moet aanmerken als een overtreding van vergunningvoorschrift 2. Het college zal in het nieuw te nemen besluit moeten beoordelen of aanleiding bestaat om handhavend op te treden tegen die overtreding.
7.       Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten
8.       Het college moet de door de [appellante] gemaakte proceskosten voor het beroep en het hoger beroep vergoeden. Over de hoogte van het te vergoeden bedrag overweegt de Afdeling het volgende.
8.1.    [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] van de [appellante] hebben de zitting van de Afdeling bijgewoond en hebben verzocht om vergoeding van de daarvoor door beiden gemaakte reiskosten en verletkosten. De Afdeling ziet aanleiding voor vergoeding van de reiskosten en verletkosten voor één van hen. Voor de reiskosten gaat de Afdeling uit van reizen met het openbaar vervoer, tweede klasse. Voor de opgevoerde verletkosten voor het bijwonen van de zitting gaat de Afdeling uit van een forfaitair aantal van 6 uren verlet en het opgegeven uurtarief van € 75,00. Tot slot gaat de Afdeling ervan uit dat in beroep dezelfde kostenposten aan de orde waren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juni 2023 in zaak nr. 21/3971;
III.      verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort van 13 augustus 2021 met kenmerk DIR/JDA/BZW.20.0440.001 gegrond;
IV.     vernietigt dat besluit;
V.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.586,39, waarvan een bedrag van € 3.628,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 908,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Witsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
727