ECLI:NL:RVS:2025:5868
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bewonersvergunning parkeren wegens adresdefinitie en vergunninglimiet
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft op 30 maart 2022 de bewonersvergunning parkeren van appellant ingetrokken op grond van de Parkeerverordening 2013 en het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2022. Het pand van appellant bestaat uit woon- en bedrijfsruimten die elk afzonderlijk WOZ-heffing kennen, maar volgens de BAG-registratie vormen zij één adresseerbaar object.
Appellant betwistte de intrekking en voerde onder meer aan dat het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel waren geschonden, omdat de vergunning in 2007 was verleend en er ook afzonderlijke WOZ-beschikkingen zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het college terecht uitging van de BAG-definitie en dat het vertrouwensbeginsel niet meebrengt dat een fout moet worden gehandhaafd.
De Raad van State onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Het college had geen beoordelingsruimte bij de BAG-definitie en mocht de eerder abusievelijk verleende vergunning intrekken. Het vertrouwensbeginsel strekt niet zover dat een bestuursorgaan een gemaakte fout moet blijven herhalen, zeker bij tijdelijke vergunningen. Ook is onvoldoende onderbouwd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bewonersvergunning parkeren wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.