ECLI:NL:RVS:2025:5959

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
202307718/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen omgevingsvergunning voor woningbouw in Oirsbeek

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, die op 14 november 2023 het beroep van [appellante] ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de omgevingsvergunning die op 21 april 2022 door het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen is verleend aan [partij A] voor het bouwen van een woning met inpandige garage op het perceel [locatie 1] in Oirsbeek. [appellante] verzet zich tegen deze vergunning, omdat zij vreest voor aantasting van haar woongenot door de nabijheid van de nieuwe woning. De rechtbank oordeelde dat de afstand van 1,8 meter tussen de terrasoverkapping van de nieuwe woning en de grens van het perceel van [appellante] niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de terrasoverkapping niet als onderdeel van de woning wordt beschouwd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat de belangen van [appellante] niet onevenredig worden geschaad. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat de totale procedure minder dan vier jaar heeft geduurd. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

202307718/1/R1.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Oirsbeek, gemeente Beekdaelen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 november 2023 in zaak nr. 22/2590 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen.
Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2022 heeft het college aan [partij A] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning met inpandige garage op het perceel [locatie 1] in Oirsbeek.
Bij besluit van 27 september 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en het besluit van 21 april 2022 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 14 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij A] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 november 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.L. Smits-Emons, via een videoverbinding, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.M.M. Peeters, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A] en [partij B] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2.       Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit "bouwen" en de activiteit "planologisch strijdig gebruik" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Wat betreft de laatstgenoemde activiteit heeft het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht  afgeweken van het bestemmingsplan "Kernen Schinnen".
De omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van een woning op het perceel tussen - aan de noordkant - de woning van [partij A] aan de [locatie 2] en - aan de zuidkant - de woning van [appellante] aan de [locatie 3]. [partij A] is voornemens om in de nieuwe woning te gaan wonen en om de huidige woning op nummer [locatie 2] dan te verkopen. De woning bestaat visueel gezien uit twee delen. Aan de kant van het perceel van [appellante] zal de woning tweelaags zijn. Dit deel bevindt zich binnen het bouwvlak en blijft met een hoogte van 6,4 m onder de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane bouwhoogte van 12 m. Het noordelijk deel van de woning is éénlaags met een muur van 21,8 m lang op de grens met het naastgelegen perceel met nummer [locatie 3]. Dit éénlaagse deel bevindt zich gedeeltelijk buiten het bouwvlak. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat het gedeeltelijk is voorzien buiten het bouwvlak en de afstand tot de grens met het perceel [locatie 3] te klein is. [appellante] verzet zich tegen de verleende omgevingsvergunning. Zij vreest voor aantasting van haar woongenot.
Is het bouwplan op meer onderdelen in strijd met het bestemmingsplan?
3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de afstand van 1,8 m tussen de hoek van de terrasoverkapping van de woning en de grens van haar perceel in strijd is met het bestemmingsplan en dat op dat punt ook afwijking van het bestemmingsplan nodig is. [appellante] heeft hierover aangevoerd dat het overdekt terras, dat aan het huis vast zit, een verlengde van de woning is zodat daarvoor op grond van het bestemmingsplan een minimale afstand van 2 m tot de erfgrens in acht genomen moet worden.
3.1.    Het bouwplan voorziet in de realisering van een terrasoverkapping aan de achterzijde van de woning. De afstand tussen de hoek van de terrasoverkapping en het perceel van [appellante] is 1,80 m. Ingevolge artikel 25.2.2, aanhef en onder d, van de planregels moet de afstand tussen de woning en de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 m zijn. De rechtbank is van oordeel dat de afstandseis in artikel 25.2.2, aanhef en onder d, van de planregels niet geldt voor de terrasoverkapping, omdat deze overkapping niet behoort tot de woning in de zin van artikel 1.194 van de planregels. De Afdeling kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank en in de onder 8 opgenomen overweging waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat de terrasoverkapping een gebouw is als bedoeld in artikel 1.81 van de planregels, omdat het aan twee zijden een wand heeft (de buitengevels van de woning) waardoor het een gedeeltelijk omsloten ruimte vormt. Omdat de terrasoverkapping architectonisch ondergeschikt is aan de woning, het hoofdgebouw, is de overkapping een bijgebouw als bedoeld in artikel 1.41 van de planregels. In artikel 25.2.2, aanhef en onder d, is bepaald dat bijgebouwen niet worden meegerekend bij de in acht te nemen minimale afstand. Voor het oordeel dat alleen sprake is van een bijgebouw in de zin van het bestemmingsplan als het gebouw na realisering van de woning later wordt aangebouwd, zoals [appellante] heeft gesteld,  bestaat geen grond.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
4.       [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college in de aan het besluit ten grondslag liggende belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de negatieve gevolgen die de voorziene woning zal hebben voor haar woongenot. Volgens [appellante] zal de bouw van de woning voor haar een zodanig verlies aan bezonning en privacy met zich brengen dat dit moet worden aangemerkt als onrechtmatige hinder. Zij heeft er op gewezen dat er meer schaduwwerking zal zijn in haar tuin, met name in de avonduren. Over de aantasting van haar privacy heeft [appellante] aangevoerd dat een dakterras weliswaar niet is aangevraagd en vergund, maar dat het platte dak wat betreft de constructie wel geschikt is om als dakterras te gebruiken en dat het dak kan worden betreden via een deur. Bovendien zijn die toegangsdeur, het raam ernaast en ook het badkamerraam voorzien van doorzichtig glas in plaats van matglas waardoor er vanuit de woning direct zicht is op haar tuin met zwembad, aldus [appellante]. Aangezien haar belangen onevenredig worden geschaad, had het college de omgevingsvergunning volgens [appellante] niet mogen verlenen.
4.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen van [appellante] niet onevenredig worden geschaad door realisering van de voorziene woning. Weliswaar zal de realisering van de woning enige nadelige gevolgen voor [appellante] hebben, maar deze gevolgen worden uitsluitend veroorzaakt door het tweelaagse deel van de woning, dat geheel binnen het bestemmingsplan past. Dat betekent dat de ruimtelijke gevolgen van de tweelaagse bebouwing op het perceel al bij de vaststelling van het bestemmingsplan zijn afgewogen.
Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de beperking van privacy en van bezonning als gevolg van de tweelaagse bebouwing niet kan leiden tot de conclusie dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Voor zover [appellante] zich richt tegen de nadelige gevolgen van het gebruik van het platte dak als dakterras, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het dakterras geen onderdeel is van het bouwplan, zodat dit in deze procedure niet aan de orde kan zijn. De gestelde nadelige gevolgen van een dakterras kunnen aldus geen rol spelen in de belangenafweging.
Aangezien op de terrasoverkapping geen dakterras is voorzien, heeft de rechtbank ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat er wegens strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek een evident privaatrechtelijke belemmering aan vergunningverlening in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
Maakt vergunninghouder misbruik van recht?
5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of [partij A] misbruik van recht heeft maakt door geen bezwaar te maken tegen de verleende omgevingsvergunning, voor zover daarmee tegen de perceelsgrens kan worden gebouwd. Zij heeft er op gewezen dat de nieuwe bewoners van nummer [locatie 2] onrechtmatige hinder zullen ondervinden van de voorziene woning. Volgens [appellante] heeft het college ten onrechte niet in de afweging betrokken in hoeverre de belangen van de toekomstige bewoners van nummer [locatie 2] onevenredig zullen worden geschaad door de vergunningverlening.
5.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellante] deze grond - wat daarvan verder zij - niet in beroep heeft aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als is uitgesloten dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich hier niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
6.       Op de zitting heeft [appellante] verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188), is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure te lang is. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandelduur is in dit geval aangevangen met de ontvangst door het college van het bezwaarschrift op 2 juni 2022 en geëindigd met deze uitspraak van de Afdeling. Dit betekent dat de procedure minder dan vier jaar heeft geduurd, zodat niet kan worden geoordeeld dat daarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het verzoek van [appellante] om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.       De Afdeling zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
604