ECLI:NL:RVS:2025:611

Raad van State

Datum uitspraak
19 februari 2025
Publicatiedatum
19 februari 2025
Zaaknummer
202403142/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking hoger beroep in asielzaak wegens overschrijding beslistermijn

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over een asielaanvraag. Tijdens de procedure trok de vreemdeling het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding van de minister. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister de beslistermijn voor de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel had overschreden, ongeacht de rechtmatigheid van een verlenging van die termijn.

De minister had uiteindelijk het verzoek van de vreemdeling ingewilligd met een besluit van 2 oktober 2024. Omdat de minister niet tijdig een besluit had genomen en de vreemdeling het hoger beroep introk, werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De Afdeling paste een wegingsfactor van 0,5 toe omdat het hoger beroep uitsluitend ging over de niet-tijdige besluitvorming.

De Afdeling wees het verzoek tot vergoeding toe en bepaalde dat de minister €453,50 aan proceskosten moet vergoeden, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 19 februari 2025.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van €453,50 aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep wegens overschrijding van de beslistermijn.

Uitspraak

202403142/1/V1.
Datum uitspraak: 19 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoekster,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2024 in zaak nr. NL24.2727.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend, het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft het hoger beroep op 31 januari 2025 ingetrokken en gelijktijdig verzocht om de minister krachtens artikel 8:75 van Pro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan de vreemdeling is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2.       De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2023/3 de beslistermijn met negen maanden heeft mogen verlengen. Op deze prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. In dit geval heeft de minister bij besluit van 2 oktober 2024 de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. De vreemdeling heeft die aanvraag op 17 oktober 2022 ingediend. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3.       De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 2 oktober 2024
4.       De minister is in het besluit van 2 oktober 2024 geheel aan de aanvraag van de vreemdeling tegemoetgekomen. De vreemdeling heeft in het nader stuk niet laten weten het niet eens te zijn met dat besluit. Er is daarom geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025
977