ECLI:NL:RVS:2025:6138

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
202400729/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanwijzing locatie voor ondergrondse containers in Soest en de gevolgen voor omwonenden

Op 12 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest besloten om een locatie aan de Burgemeester Grothestraat aan te wijzen voor de plaatsing van drie ondergrondse containers voor restafval, PMD en GFT. Dit besluit is genomen met het oog op de bewoners van de appartementen aan de Oranjehof en de Dokter Rupertlaan. Appellanten A en B, bewoners van de Burgemeester Grothestraat, hebben beroep ingesteld tegen dit besluit, omdat zij van mening zijn dat de aangewezen locatie niet voldoet aan de randvoorwaarden voor verkeersveiligheid en parkeergelegenheid. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak op 28 augustus 2025 behandeld. Tijdens de zitting is het college vertegenwoordigd door advocaten en hebben de appellanten hun bezwaren toegelicht. De Afdeling heeft de argumenten van de appellanten beoordeeld, waaronder de verkeersveiligheid en de impact op parkeerplaatsen. Het college heeft toegelicht dat de containers op een veilige afstand van de woningen worden geplaatst en dat de verkeersveiligheid niet in het geding is. De Afdeling concludeert dat het college de locatie terecht heeft aangewezen en dat de bezwaren van de appellanten niet opwegen tegen de belangen van de gemeente. De uitspraak is gedaan op 17 december 2025, waarbij het beroep van appellanten ongegrond is verklaard.

Uitspraak

202400729/1/R1.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Soest,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Soest,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2023 heeft het college de locatie aan de Burgemeester Grothestraat (locatie: XT 32) in Soest aangewezen voor het plaatsen van drie ondergrondse containers.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2025, waar [appellant A] en [appellant B], bij monde van [appellant A], bijgestaan door mr. S.G.A. de Boer, advocaat in Baarn, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.N. van der Spek, mr. A.M. van de Laar, advocaten in Den Haag, en T.P. Bosselaar, zijn verschenen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben het college en [appellant A] en [appellant B] nadere stukken ingediend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       Bij het besluit heeft het college de locatie op de Burgemeester Grothestraat, ter hoogte van de huisnummers 56 en 58, aangewezen voor de plaatsing van drie ondergrondse containers (hierna: de aangewezen locatie). Het gaat om containers voor restafval, PMD en GFT. Deze containers zijn bestemd voor bewoners van de appartementen aan de Oranjehof en bewoners van de appartementen aan de Dokter Rupertlaan 2 tot en met 22. Ook een aantal andere bewoners van appartementen in de omgeving zal gebruik gaan maken van deze ondergrondse containers.
[appellant A] en [appellant B] wonen op de Burgemeester [locatie]. De afstand tussen de aangewezen locatie en de gevel van de woning van [appellant A] en [appellant B] is ongeveer 18 meter. Tussen hun woning en de aangewezen locatie ligt, naast de tuin van de woning, een pad, een groenstrook, een stoep en een fietspad. De aangewezen locatie bevindt zich ten zuiden van het fietspad in een strook met parkeerplaatsen. [appellant A] en [appellant B] zijn het niet eens met het besluit.
Toetsingskader
2.       Bij de keuze van een locatie voor een ondergrondse container moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ondergrondse container.
Wordt aan de randvoorwaarden voldaan?
Inhoud randvoorwaarden
3.       Bij het bepalen van de locatie van de containers heeft het college getoetst aan een aantal randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden luiden als volgt:
"1. In de woonkernen van de gemeente worden (semi-)ondergrondse containers geplaatst ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval.
2. Aangewezen huishoudens maken gebruik van een aan hen toegewezen container. Daarnaast krijgt elk huishouden een uitwijklocatie toegewezen waar zij heen kunnen in het geval van storing.
3. Het betreft ondergrondse afvalcontainers met een capaciteit van 5m3. De semi-ondergrondse containers hebben een capaciteit van 1m3.
4. De (semi-)ondergrondse containers zijn uitgerust met een systeem voor toegangscontrole op basis waarvan voorkomen kan worden dat de container onrechtmatig gebruikt wordt. De toegangscontrole werkt alleen als een sleutel om de container te openen. Er vindt geen registratie plaats van gebruik.
5. De maximale loopafstand naar een container is 300 meter, gemeten vanaf de erfgrens. In het kader van efficiëntie kan hier eventueel van worden afgeweken.
6. Het aantal huishoudens dat bediend kan worden per (semi-)ondergrondse container verschilt per afvalstroom en de mate waarin er gescheiden wordt c.q. de aanwezigheid van containers voor andere stromen. Ter toelichting: er worden maximaal 100-125 huishoudens bediend per ondergrondse restafvalcontainer en maximaal 20-25 huishoudens op een semi-ondergrondse container voor GFT. In uitzonderingsgevallen kan hiervan worden afgeweken.
7. De gekozen locaties voor de containers dienen goed bereikbaar te zijn voor voetgangers en minder validen (inclusief ouderen).
8. Parkeervoorzieningen worden in principe gehandhaafd en kunnen slechts in het uiterste geval verdwijnen of verplaatst worden voor de plaatsing van een ondergrondse container.
9. Beplanting zal in sommige gevallen plaats moeten maken voor het plaatsen van een ondergrondse container. Dit zal echter nooit ten koste gaan van waardevolle bomen. Waar mogelijk wordt rekening gehouden met de hoofdgroenstructuur.
10. Er wordt gestreefd naar een zo kosten efficiënt mogelijke plaatsing van de containers, waarbij zo min mogelijk ondergrondse infrastructuur (kabels & leidingen) verlegd wordt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met richtlijnen met betrekking tot de minimale plaatsing afstand tot kabels en leidingen (gas en riool).
11. De ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat er geen belemmering voor verkeersveiligheid of sociale veiligheid zal ontstaan.
12. De containers worden zodanig geplaatst dat er op ledigingsmomenten minimale verkeershinder en -oponthoud ontstaat. In nauwe straten zou dat kunnen betekenen dat bestuurders achter het ledigingsvoertuig even moeten wachten.
13. Inzamelvoertuigen dienen veilig te kunnen stoppen om de container te legen."
Verkeersveiligheid
4.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de aangewezen locatie niet voldoet aan de randvoorwaarden 11 en 12. Door het plaatsen van de locatie zal volgens hen de verkeersveiligheid op de Burgemeester Grothestraat verslechteren. De Grothestraat betreft immers een doorgaande autoroute. Tijdens het legen van de containers zullen auto’s proberen de vuilniswagen in te halen, wat leidt tot gevaarlijke situaties. Bovendien zullen omwonenden op het fietspad moeten staan om de vuilniszakken weg te gooien en ook dat leidt tot gevaarlijke situaties, aldus [appellant A] en [appellant B].
4.1.    Het college erkent dat de Burgemeester Grothestraat een doorgaande weg is. [appellant A] en [appellant B] hebben verder ter zitting toegelicht dat het druk is op het fietspad. Deze omstandigheden leiden echter niet zonder meer tot de conclusie dat het plaatsen van de ondergrondse containers op de aangewezen locatie tot een verkeersonveilige situatie leidt. De afdeling verkeer van het gemeente is betrokken geweest bij het besluit en heeft positief geadviseerd over de aangewezen locatie. Ook heeft er overleg plaatsgevonden met het Reinigingsbedrijf Midden Nederland (hierna: RMN) dat de containers leegt. Het college heeft in de reactie op de zienswijzen toegelicht dat de containers één keer per week geleegd zullen worden. Het legen van de container duurt volgens het college slechts enkele minuten. Verder kunnen de ondergrondse containers zodanig gepositioneerd worden, dat gebruikers van de containers aan de zijde van het fietspad zullen staan, waarbij tussen het fietspad en de containers ongeveer 1,10 tot 1,30 meter ruimte is om te staan en te lopen. Het fietspad is bovendien breed genoeg zodat fietsers veilig kunnen passeren.
Gelet op deze toelichting van het college ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel het plaatsen van de ondergrondse containers zal leiden tot een zodanig verkeersonveilige situatie of dat een zodanige verkeershinder zal optreden, dat het college deze locatie niet heeft mogen aanwijzen.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
5.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat het besluit is genomen in strijd met randvoorwaarde 8. Volgens hen komt er niet één parkeerplaats te vervallen, maar komen er feitelijk drie parkeerplaatsen ter vervallen omdat er schuin wordt geparkeerd binnen de strook met parkeerplaatsen. Het college heeft volgens [appellant A] en [appellant B] onvoldoende onderbouwd waarom sprake is van een uiterst geval op grond waarvan deze parkeerplaatsen mogen verdwijnen.
5.1.    Met het besluit tot aanwijzing van de locatie heft het college feitelijk één parkeerplaats op. Het college heeft op de zitting toegelicht dat omwonenden en bezoekers weliswaar hun auto feitelijk schuin parkeren, maar dat dat niet is toegestaan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college uit heeft mogen gaan van het vervallen van niet meer dan één parkeerplaats.
De Afdeling begrijpt het college aldus dat een "uiterste geval" waarin een parkeerplaats mag verdwijnen als bedoeld in randvoorwaarde 8, de situatie is dat er geen geschiktere locaties zijn voor het aanwijzen van een locatie voor een ondergrondse container. Het college heeft toegelicht dat in dit geval de plaatsing van de ondergrondse containers op deze locatie noodzakelijk is omdat er in de directe omgeving geen geschikte locatie is om de ondergrondse containers te plaatsen vanwege, onder meer, kabels en leidingen. De Afdeling is van oordeel dat gelet op deze toelichting, het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hier sprake is van een "uiterste geval" als bedoeld in randvoorwaarde 8. Het betoog dat niet is voldaan aan deze randvoorwaarde slaagt daarom niet. Wat betreft het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat er geschiktere locaties zijn voor het plaatsen van de ORAC’s, verwijst de Afdeling naar de overwegingen 10 tot en met 10.2.
Groen
6.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat het aanwijzen van de locatie in strijd is met randvoorwaarde 9. De boom, die naast de aangewezen locatie staat, zal immers moeten wijken om ruimte te maken voor de ondergrondse containers. Daardoor gaat volgens [appellant A] en [appellant B] waardevol groen verloren.
6.1.    Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat de boom behouden blijft. De containers worden op een afstand van ongeveer 2,3 meter van de boom geplaatst. De container die het dichtst bij de boom staat, gaat een klein stukje de grond in waardoor het wortelstelsel volgens het college voldoende ruimte zal hebben.
Gelet op deze toelichting van het college, ziet de Afdeling in wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit niet in overeenstemming is met de randvoorwaarde over groen omdat het plaatsen van de ORAC’s geen gevolgen heeft voor de boom.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over randvoorwaarden
7.       De conclusie is dat wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college de aangewezen locatie in strijd met de randvoorwaarden heeft aangewezen.
Overige gronden
Parkeerhinder
8.       [appellant A] en [appellant B] vrezen dat het vervallen van een parkeerplaats zal leiden tot parkeerproblemen. Zij wijzen erop dat de parkeerdrukmetingen waarnaar het college verwijst, in de coronaperiode hebben plaatsgevonden en daarom niet representatief zijn. Tijdens deze periode waren veel kantoren en restaurants gesloten waardoor de gemeten parkeerdruk in die periode lager was dan nu het geval is, aldus [appellant A] en [appellant B]. Zij hebben er belang bij dat de parkeerplaats behouden blijft.
8.1.    De Afdeling begrijpt aldus dat het college naast de toetsing aan de randvoorwaarden ook een belangenafweging heeft willen maken wat betreft het parkeren.
Het college stelt zich op het standpunt dat het opheffen van één parkeerplaats niet tot parkeerproblemen zal leiden. Het college verwijst daarvoor naar een parkeeronderzoek uit 2020. Uit dat onderzoek volgt dat ’s nachts op een doordeweekse dag 65% van de parkeerplaatsen bezet was op de Burgemeester Grothestraat, tussen de Dokter Rupertlaan en de Willem de Zwijgerlaan. De parkeerdruk is in de nacht gemeten omdat de parkeerdruk in woonwijken op dat moment volgens het college het hoogst is. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de kantoren in de omgeving van de aangewezen locatie parkeerplaatsen hebben op eigen terrein en dat in de nabije omgeving weinig horeca aanwezig is. Daarom biedt wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd over de aanwezige kantoren en restaurants onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de representativiteit van het onderzoek.
De Afdeling ziet gelet op deze motivering van het college geen aanleiding voor het oordeel dat met het opheffen van de parkeerplaats [appellant A] en [appellant B] zodanig in hun belangen worden geschaad dat het college had moeten afzien van het aanwijzen van de locatie.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over de geschiktheid van de aangewezen locatie
9.       De conclusie is dat wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college de aangewezen locatie niet geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC’s.
Alternatieve locaties
10.     [appellant A] en [appellant B] betogen dat er geschiktere locaties zijn. Zij hebben in de eerste plaats gewezen op de hoek van de Dokter Rupertlaan en de Burgemeester Grothestraat. In het stuk groen wat nu op deze hoek aanwezig is, bestaat volgens hen voldoende ruimte voor het plaatsen van ondergrondse containers. Verder is er genoeg ruimte op het eigen terrein van de locaties Oranjehof, Parkflat en Mariënhorst voor het plaatsen van de ondergrondse containers. Als de ondergrondse containers daar worden geplaatst dan hoeft er geen parkeerplaats te worden opgeheven en wordt voldaan aan de randvoorwaarden, aldus [appellant A] en [appellant B].
10.1.  In overweging 9 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de containers. De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling. De Afdeling verwijst hiervoor bijvoorbeeld naar haar uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3437, onder 10.1.
10.2.  Het college heeft toegelicht dat de hoek van de Dokter Rupertlaan en de Burgemeester Grothestraat geen geschikte locatie is. Ten eerste ligt er op deze hoek een aantal kabels en leidingen waardoor er geen ondergrondse containers kunnen worden geplaatst. Het college heeft dit onderbouwd aan de hand van een kaart waarop de kabels en leidingen staan ingetekend. Daarnaast heeft het college op de zitting toegelicht dat het plaatsen van de ondergrondse containers op de hoek van de Dokter Rupertlaan en de Burgemeester Grothestraat het zicht vermindert op en het zich op de Burgemeester Grothestraat bevindende verkeer. De afdeling verkeer van de gemeente heeft dat uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet aanvaardbaar geacht. Voor de overige voorgestelde alternatieve locaties geldt dat dit op particulier terrein is. Alleen al daarom vormen die locaties geen alternatief. Daarbij komt dat het voertuig van het RMN dat de containers moet legen aan de Oranjehof niet goed kan manoeuvreren.
Gelet op deze toelichting van het college is de Afdeling van oordeel dat de alternatieve locaties op de hoek van de Dokter Rupertlaan en de Burgemeester Grothestraat en de locaties op eigen terrein van de Oranjehof, Parkflat en Mariënhorst niet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat het college niet heeft mogen kiezen voor deze laatste locatie.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11.     Het beroep is ongegrond.
12.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Denters, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Denters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
1124