ECLI:NL:RVS:2025:6178
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bewonersvergunning parkeren ondanks beroep op vertrouwensbeginsel en hardheidsclausule
Appellante vroeg op 24 april 2020 een bewonersvergunning parkeren aan, met de melding dat zij een eigen stallingsplaats heeft die zij niet gebruikt vanwege angst om alleen in garages te zijn. Het college verleende haar op 24 juni 2020 de vergunning, die stilzwijgend werd verlengd. Na controle trok het college de vergunning per 1 mei 2023 in, omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij haar stallingsplaats niet kon gebruiken en de hardheidsclausule niet van toepassing was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat medische belemmeringen voor eigen risico zijn, het vertrouwensbeginsel niet was geschonden en het college terecht de hardheidsclausule niet toepaste. Appellante stelde in hoger beroep dat het college haar door eerdere vergunningen en correspondentie een recht had gegeven op de vergunning en dat de hardheidsclausule wel van toepassing was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college de vergunning waarschijnlijk foutief had verleend zonder toepassing van de hardheidsclausule en dat geen concrete toezegging was gedaan. De hardheidsclausule wordt alleen in schrijnende gevallen toegepast, wat hier niet aan de orde was. Ook het beroep op proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bewonersvergunning parkeren wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.