ECLI:NL:RVS:2018:2416
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- J. Kramer
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bedrijfs- en autodeelparkeervergunningen door college Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok in 2014 en 2015 in totaal meerdere bedrijfsparkeervergunningen en autodeelparkeervergunningen van [appellante] in, omdat niet werd voldaan aan de voorwaarden van de Parkeerverordening 2013. [Appellante] stelde dat het college onterecht de intrekkingsgrond had gekozen en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht artikel 37, eerste lid, onder c, van de Parkeerverordening 2013 als grondslag had gekozen en dat er geen bijzondere hardheid was die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigde. Ook werd geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven op basis van een nadere motivering van het college.
De Raad van State bevestigt deze uitspraken en overweegt dat het college niet verplicht was de intrekkingsgrond onder d te gebruiken. De hardheidsclausule is slechts bedoeld voor schrijnende, tijdelijke situaties, wat hier niet aan de orde was. Tevens is de uitleg van artikel 19 van Pro de Parkeerverordening 2013 correct toegepast, waardoor de intrekking van de autodeelvergunningen in het deelgebied Westerpark terecht is.
De hoger beroepen van [appellante] worden ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de parkeervergunningen en verklaart het hoger beroep ongegrond.