ECLI:NL:RVS:2025:6185

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
202302287/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de reconstructie van de provinciale weg N211 in Wateringen

Op 17 december 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een hoger beroep tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Westland. Deze vergunning, verleend op 19 juli 2021, betreft de reconstructie van de provinciale weg N211 (Wippolderlaan) nabij Wateringen. De vergunning is verleend voor het verbreden van de weg en het aanleggen van ongelijkvloerse kruisingen, wat noodzakelijk wordt geacht voor de verbetering van de doorstroming en bereikbaarheid van de regio. De appellant, wonend in Den Hoorn, heeft tegen deze vergunning beroep ingesteld, omdat hij vreest voor een toename van geluidshinder door het wegverkeer.

De rechtbank Den Haag heeft in een eerdere uitspraak op 17 februari 2023 het beroep van de appellant gegrond verklaard en de omgevingsvergunning vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. De Afdeling heeft in hoger beroep de zaak behandeld en geconcludeerd dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de geluidbelasting van 52 dB op de gevel van de woning van de appellant aanvaardbaar is. De Afdeling heeft de argumenten van de appellant over de geluidshinder en de noodzaak van aanvullende maatregelen verworpen, en bevestigd dat de cumulatieve geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare situatie. De Afdeling heeft de eerdere uitspraken van de rechtbank bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

202302287/1/R3.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2023 in zaak nr. 21/5545, 21/5945, 21/5946, 21/5947, 21/5948, 21/5949 en 21/5993 in het geding tussen onder meer:
[appellant],
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2021 heeft het college aan de provincie Zuid-Holland (hierna: de provincie) een omgevingsvergunning verleend voor het reconstrueren van de provinciale weg N211 (Wippolderlaan) op het perceel Zwetkade Noord nabij 1 te Wateringen.
[appellant] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Bij tussenuitspraak van 11 juli 2022 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit van 19 juli 2021 te herstellen.
Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij de rechtbank een nadere motivering ingediend.
Bij uitspraak van 17 februari 2023 (hierna: de einduitspraak) heeft de rechtbank het beroep van onder andere [appellant] tegen het bestreden besluit van 19 juli 2021 gegrond verklaard. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en de provincie hebben samen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant], het college en de provincie hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar zijn verschenen:
- [appellant], vergezeld door [persoon];
- het college, vertegenwoordigd door B.C. Honselaar, bijgestaan door mr. C.E. Barnhoorn, mr. J.K.M. Buitenhuis en mr. M.A. Gerritse, advocaten in Den Haag.
Op de zitting is als partij gehoord de provincie, vertegenwoordigd door W.J. Rietbroek en A.P. Laverman, ook bijgestaan door mr. C.E. Barnhoorn, mr. J.K.M. Buitenhuis en mr. M.A. Gerritse, advocaten in Den Haag, als ook bijgestaan door ing. R.J.M. Pellegrom.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2.       De bij besluit van 19 juli 2021 verleende omgevingsvergunning maakt een aanpassing mogelijk van de provinciale weg N211 (Wippolderlaan; hierna: N211). De omgevingsvergunning is onder meer verleend voor de activiteit het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan. Het projectgebied loopt vanaf de A4 tot voorbij de kruising N211 - N222/Wateringveldseweg. De aanpassingen omvatten het verbreden van de N211 van 2x2 naar 2x3 rijstroken en het realiseren van twee ongelijkvloerse kruisingen. Een ongelijkvloerse kruising betreft de kruising van de N211 - N222/Wateringveldseweg. Deze kruising wordt mede als gevolg van een participatietraject met omwonenden verdiept aangelegd. De andere ongelijkvloerse kruising betreft de kruising N211 - Laan van Wateringse Veld. Deze kruising wordt niet verdiept aangelegd, maar betreft een verhoogde kruising in de vorm van een fly-over.
Het college heeft in de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning toegelicht waarom de reconstructie volgens de gemeente en de provincie nodig is. Daarin staat dat de N211 een van de drukste provinciale wegen is van Nederland. Er staan regelmatig files op de weg. Met de aanpassingen in de vorm van de wegverbreding en het vervangen van kruispunten met verkeerslichten door ongelijkvloerse kruisingen, gaat de doorstroming soepeler en is de reistijd over de N211 korter, zo staat in de ruimtelijke onderbouwing. Hiermee wordt beoogd de bereikbaarheid van de zuidzijde van de Haagse regio en de gemeente Westland met haar agro-logistieke bedrijventerrein te verbeteren.
3.       [appellant] woont aan de [locatie] in Den Hoorn. Hij is van mening dat met name de toename van wegverkeersgeluid als gevolg van de wegaanpassingen aan de N211, ertoe leidt dat bij zijn woning niet langer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omgevingsvergunning had volgens hem daarom wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening niet verleend mogen worden.
De tussen- en einduitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar acht. Over de overige betogen, onder meer op het gebied van geluid, heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geconcludeerd dat die niet slagen.
Vanwege dit in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek is in de einduitspraak de bij besluit van 19 juli 2021 verleende omgevingsvergunning voor het aanpassen van de N211 vernietigd. De rechtsgevolgen van dat besluit heeft de rechtbank in de einduitspraak in stand gelaten, omdat de rechtbank in de einduitspraak heeft geoordeeld dat het college met zijn aanvullende motivering alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld.
Hoger beroep
Opmerkingen vooraf
5.       Voordat de Afdeling ingaat op de hoger beroepsgronden van [appellant], stelt de Afdeling voorop dat het college ter voorbereiding op de omgevingsvergunning voor de reconstructie van de N211 ook hogere waarden heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Dit geldt onder meer voor de woning van [appellant]. Voor de woning van [appellant] is een hogere waarde vastgesteld van 49 dB.
Het besluit hogere waarden is genomen op 14 juli 2021 voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning op 19 juli 2021. Omdat deze twee besluiten niet gecoördineerd zijn voorbereid, heeft alleen tegen de omgevingsvergunning beroep opengestaan bij de rechtbank. Tegen het besluit hogere waarden stond alleen beroep open bij de Afdeling. Onder andere [appellant] heeft tegen het besluit hogere waarden bij de Afdeling beroep ingesteld. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2754, de beroepen tegen het besluit hogere waarden ongegrond verklaard. Een deel van de  beroepsgronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert in het kader van de verleende omgevingsvergunning, komt overeen met zijn beroepsgronden in het kader van het besluit hogere waarden. De Afdeling zal bij de beoordeling van de beroepsgronden op die punten verwijzen naar haar uitspraak over het beroep tegen het besluit hogere waarden.
6.       Ook stelt de Afdeling voorafgaand aan de bespreking van de hoger beroepsgronden nog het volgende vast. [appellant] heeft voorafgaand aan de zitting op 28 november 2025 een nader stuk bij de Afdeling ingediend. Dit stuk is ingediend op de laatste dag van de termijn voor het indienen van nadere stukken, zoals de Afdeling heeft vermeld in haar uitnodigingsbrief voor de zitting. Op de zitting is gesproken over de vraag of de Afdeling dit stuk in de volle omvang kan toelaten tot de procedure. Hierover overweegt de Afdeling het volgende.
6.1.    Het college heeft naar aanleiding van het nadere stuk van [appellant] op de zitting onder meer een beroep gedaan op de toepassing van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw). In dit artikel is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Uit artikel 1.9a van de Chw volgt dat dit artikel van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep.
Dat de artikelen 1.6a en 1.9a van de Chw op het bestreden besluit van 19 juli 2021 van toepassing zijn, volgt uit artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met onderdeel 3.4 van bijlage I van de Chw. De toepasselijkheid van de Chw betekent volgens het college dat de hoger beroepsgronden in het nadere stuk van [appellant], die niet ook zijn aangevoerd in het oorspronkelijke hoger beroepschrift, zoals dat binnen de termijn voor het instellen van hoger beroep bij de Afdeling is ingediend, op grond van artikel 1.6a van de Chw buiten inhoudelijke bespreking moeten blijven.
Maar de Afdeling ziet in dit geval geen aanleiding om artikel 1.6a van de Chw toe te passen. De reden daarvoor is dat de rechtbank in de einduitspraak niet heeft gewezen op de toepasselijkheid van de Chw en ook niet heeft vermeld dat dit betekent dat de indiener van hoger beroep na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep geen nieuwe beroepsgronden meer kan aanvoeren. Dit had de rechtbank wel moeten doen, zoals is vereist in artikel 12 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Daarom laat de Afdeling in deze procedure geen beroepsgronden buiten inhoudelijke bespreking op basis van artikel 1.6a van de Chw.
6.2.    Het college heeft naar aanleiding van het nadere stuk van [appellant] op de zitting ook gewezen op de goede procesorde. De Afdeling ziet in dit geval ook geen aanleiding om wat [appellant] in het nadere stuk naar voren heeft gebracht wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Ter onderbouwing overweegt de Afdeling het volgende.
De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.
Het nadere stuk van [appellant] is naar het oordeel van de Afdeling niet zo omvangrijk dat voor het college en de provincie onvoldoende mogelijkheid resteerde om zich daar op de zitting inhoudelijk over uit te laten. Het bevat argumenten die voortbouwen op de eerder ingediende gronden in beroep en in hoger beroep, en deels een reactie op de standpunten die de gemeente en provincie in hoger beroep naar voren hebben gebracht. Het college en de provincie hebben op de zitting bovendien ook inhoudelijk gereageerd op wat [appellant] in het nadere stuk naar voren heeft gebracht. Ook de Afdeling is als gevolg van het nadere stuk van [appellant] niet belemmerd in haar voorbereiding van de zitting.
7.       Maar het voorgaande laat onverlet dat in het omgevingsrecht geldt dat beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep mogen worden aangevoerd, als die beroepsgronden niet ook bij de rechtbank zijn aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich in dit geval bij de aanwezigheid van een andere belanghebbende, namelijk de provincie als vergunninghouder, niet voor. Dit betekent dat de Afdeling in deze uitspraak geen beroepsgronden bespreekt die voor het eerst in hoger beroep zijn aangevoerd.
Het voorgaande geldt naar het oordeel van de Afdeling voor de beroepsgrond van [appellant] in zijn nadere stuk dat het college met de verlening van de omgevingsvergunning, vanwege stikstofaspecten, een zogenoemde sluiproute zou hebben gevolgd. Die sluiproute is volgens [appellant] dat een omgevingsvergunning is verleend, terwijl een bestemmingsplanprocedure had moeten worden doorlopen om aanpassingen aan de N211 mogelijk te maken. Dit heeft [appellant] niet aangevoerd bij de rechtbank en zal de Afdeling daarom in deze uitspraak niet inhoudelijk bespreken.
De juistheid van het akoestisch onderzoek
8.       Aan de op 19 juli 2021 verleende omgevingsvergunning ligt een akoestisch onderzoek ten grondslag. Daarin is onderzoek gedaan naar de akoestisch effecten van de aanpassingen van de N211 op omliggende woningen. Dit is het onderzoeksrapport "Akoestisch onderzoek; Reconstructie N211 Wippolderlaan in de gemeente Westland en Midden-Delfland" van Antea Group van 17 mei 2021 (hierna: het akoestisch onderzoek). De rechtbank heeft in de tussenuitspraak onder 5.9.2 overwogen dat in wat eisers naar voren hebben gebracht, geen aanleiding wordt gezien voor de conclusie dat de in het akoestisch onderzoek berekende gecumuleerde geluidwaarden onjuist zijn. Volgens [appellant] is dit oordeel van de rechtbank onjuist. De betogen die hij ter onderbouwing heeft aangevoerd, zal de Afdeling hierna bespreken.
9.       [appellant] betoogt primair dat de rechtbank heeft miskend dat de geluidbelasting in het akoestisch onderzoek ten onrechte uitsluitend is berekend op de voorgevel van zijn woning en niet ook op de andere gevels van zijn woning.
9.1.    In de bijlagen bij het akoestisch onderzoek zijn de figuren opgenomen waarop is weergegeven waar op de gevels van de omliggende woningen zich de toetspunten bevinden zoals die in het akoestisch onderzoek zijn gehanteerd. Op de figuur op pagina 418 van het akoestisch onderzoek is de woning van [appellant] afgebeeld. Bij die woningen zijn vier toetspunten gehanteerd, namelijk toetspunt 015 op de voorgevel, toetspunten 015a en 015b op de zijgevels en toetspunt 015c op de achtergevel. De op de verschillende toetspunten berekende geluidwaarden staan in de bijlagen bij het akoestisch onderzoek. In bijlage 10 staan de berekende cumulatieve geluidwaarden voor de hiervoor genoemde toetspunten weergegeven. Het betoog dat in het akoestisch onderzoek alleen de geluidbelasting is berekend op de voorgevel van de woning van [appellant], mist dan ook feitelijke grondslag. Daarom kan het betoog van [appellant] dat de rechtbank dit aspect in zijn beoordeling zou hebben miskend, dan ook niet slagen.
10.     [appellant] twijfelt daarnaast aan de juistheid van de voor zijn woning berekende geluidwaarden. Zo staat in paragraaf 8.3 van het akoestisch onderzoek dat de maatgevende gecumuleerde geluidbelasting op de gevel van zijn woning 52 dB bedraagt. Uit de schriftelijke uiteenzetting die het college en de provincie hebben ingediend, zou blijken dat deze maatgevende geluidbelasting zich voordoet op de voorgevel van zijn woning, maar volgens [appellant] is dat onjuist. De maatgevende geluidbelasting doet zich volgens hem voor op de rechterzijgevel van zijn woning. Ter onderbouwing wijst [appellant] erop dat de N211 gezien vanaf de rechterzijgevel van zijn woning via een bocht aansluit op de A4, waardoor op de rechterzijgevel zowel geluidhinder van de N211 als geluidhinder van de A4 wordt ondervonden. Deze gecombineerde geluidhinder is volgens hem beduidend hoger dan de geluidhinder die wordt ondervonden van de N211 op de voorgevel van zijn woning. In dit verband betoogt [appellant] ook dat in de schriftelijke uiteenzetting van het college en de provincie de windrichtingen en de oriëntatie van de gevels van zijn woning ten opzichte van de omliggende wegen onjuist zijn geduid. Wellicht verklaart dit waarom de voorgevel in plaats van de rechterzijgevel van zijn woning in het akoestisch onderzoek ten onrechte als maatgevend is beschouwd voor de verwachte geluidbelasting, zo betoogt [appellant].
[appellant] wijst er in dit verband ook op dat als gevolg van de aanpassingen aan de N211, de verkeerslichten bij de kruisingen N211 - N222/Wateringveldseweg en N211 - Laan van Wateringse Veld verdwijnen en worden vervangen door ongelijkvloerse kruisingen. Al het richting de A4 toestromende verkeer kan als gevolg hiervan in de projectsituatie ongehinderd doorrijden tot aan de overblijvende verkeerslichten bij de toe- en afritten van de A4, zo stelt [appellant]. Ter plaatse wordt het aantal rijstroken ook nog een stapsgewijs gereduceerd tot twee rijstroken over de A4. Daarmee zal volgens [appellant] bij de verkeerslichten bij de toe- en afritten van de A4 een nieuw verkeersknelpunt ontstaan. Hij vreest dat hierdoor in de projectsituatie nog meer geluidhinder op de volgens hem maatgevende rechterzijgevel van zijn woning zal ontstaan dan in het akoestisch onderzoek is berekend. [appellant] richt zich in zijn nadere stuk ook tegen de in het akoestisch onderzoek gehanteerde verkeersintensiteiten in de projectsituatie. Deze verkeersintensiteiten en daarmee de berekende geluidbelasting zijn volgens hem onderschat.
10.1.  De in paragraaf 8.3 van het akoestisch onderzoek vermelde maatgevende cumulatieve geluidbelasting voor de woning van [appellant] van 52 dB is inderdaad berekend op de voorgevel van zijn woning, zoals [appellant] ook stelt. Dit blijkt uit bijlage 10 bij het akoestisch onderzoek "Rekenresultaten cumulatieve geluidbelasting". In die bijlage staat dat op de voorgevel van de woning van [appellant] op de verdieping (toetspunten 015-B) de hoogste cumulatieve geluidbelasting is berekend, namelijk 52,20 dB,  afgerond 52 dB. Op de volgens [appellant] maatgevende rechterzijgevel is een geluidbelasting berekend van 51,78 dB (toetspunt 015b-B; verdieping). Dit is afgerond ook 52 dB. Het is dus niet zo dat de geluidbelasting op de voorgevel van de woning van [appellant] substantieel hoger is berekend in vergelijking met de volgens [appellant] maatgevende rechterzijgevel. Op zowel de verdieping van de voorgevel als op de verdieping van de rechterzijgevel is een cumulatieve geluidbelasting berekend van afgerond 52 dB.
10.2.  Dezelfde afgeronde geluidwaarden zijn vermeld in de bijlage bij de schriftelijke uiteenzetting van het college en de provincie. In deze bijlage is zijn de afgeronde geluidwaarden afkomstig uit het akoestisch onderzoek nogmaals in een tabel gezet voor de verschillende gevels van de woning van [appellant]. In deze tabel is ook een windoriëntatierichting vermeld bij iedere gevel van de woning, met daarbij vermeld of het gaat om de zijde N211 of de zijde A4. Op de zitting heeft de opsteller van deze bijlage bij de schriftelijke uiteenzetting, werkzaam bij Antea Group die ook het akoestisch onderzoek heeft opgesteld, vermeld dat deze windrichtingen in de tabel uitsluitend als aanvullende oriëntatiepunten zijn opgenomen, maar geen betekenis hebben voor de geluidberekeningen die zijn gemaakt. Voor de geluidberekeningen is uitgegaan van de (invoer-)gegevens zoals die in het akoestisch onderzoek zijn opgenomen. Daarin is op pagina 418 van het akoestisch onderzoek de ligging met toetspunten van de woning van [appellant] afgebeeld zoals die in het akoestisch onderzoek is ingevoerd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de daar afgebeelde ligging van de woning niet overeenkomt met de werkelijke ligging van de woning.
10.3.  Ook ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusie in het akoestisch onderzoek dat zowel op de voorgevel als op de rechterzijgevel van de woning van [appellant] in de projectsituatie een cumulatieve geluidbelasting wordt verwacht van afgerond 52 dB. De stelling van [appellant] dat de geluidbelasting op zijn rechterzijgevel substantieel hoger zou moeten zijn, is uitsluitend gebaseerd op zijn aanname, maar niet op een berekening van een geluiddeskundige. Op de zitting heeft de opsteller van het akoestisch onderzoek, Antea Group, toegelicht dat er ook geen reden is om aan te nemen dat de geluidbelasting op de rechterzijgevel in de projectsituatie hoger zou zijn dan is berekend. De reden hiervoor is dat op de rechterzijgevel weliswaar geluid wordt ondervonden van zowel de N211 als de A4, maar dat de N211 in vergelijking met de voorgevel op grotere afstand van de rechterzijgevel ligt. Daarnaast biedt de voorgevel een vorm van geluidafschermende werking voor de rechterzijgevel, zo is op de zitting toegelicht. Ook heeft de geluiddeskundige erop gewezen dat de N211 ook bij de verhoogde ligging op de kruising van de N211 met de Laan van Wateringse Veld, van waar de N211 geluid afstraalt op de rechterzijgevel van de woning van [appellant], in de projectsituatie wordt afgeschermd met geluidschermen. Zoals de rechtbank onder 5.8 van de tussenuitspraak heeft overwogen, zijn deze geluidreducerende maatregelen geborgd in de voorschriften van de omgevingsvergunning. De Afdeling ziet geen grond om de door de geluiddeskundige gegeven toelichting niet te volgen.
10.4.  Daarnaast stelt de Afdeling vast dat in het akoestisch onderzoek bij de verkeerseffecten van het project er bij de invoergegevens van is uitgegaan dat de kruispunten met verkeerslichten bij de kruisingen N211 - N222/Wateringveldseweg en N211 - Laan van Wateringse Veld verdwijnen en worden vervangen door ongelijkvloerse kruisingen. Uit paragraaf 4.2 van het akoestisch onderzoek, waarin de gehanteerde verkeersgegevens zijn weergegeven, blijkt niet - zoals [appellant] stelt - dat in de projectsituatie bij de verkeerslichten bij de toe- en afritten van de A4 een verkeersknelpunt zal ontstaan. Alleen de stelling van [appellant] dat hij dit wel verwacht, omdat bij de nabijgelegen kruispunten de verkeerslichten verdwijnen, is onvoldoende om op dit punt aan de juistheid van het vermelde in het akoestisch onderzoek te twijfelen. Het verdwijnen van deze verkeerslichten is namelijk als onderdeel van het project meegenomen in het verkeersmodel dat in het akoestisch onderzoek is gehanteerd.
In dit verband overweegt de Afdeling ook dat de verkeerscijfers die [appellant] in zijn nadere stuk noemt ter onderbouwing van zijn betoog dat de in het akoestisch onderzoek gehanteerde verkeersintensiteiten voor de projectsituatie onjuist zijn, deels overeenkomen met de verkeerscijfers die de rechtbank in de overwegingen 5.5 en 5.5.1 van de tussenuitspraak heeft genoemd. Daar heeft de rechtbank gemotiveerd toegelicht waarom er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te oordelen dat de uitkomsten van het gehanteerde verkeersmodel te zeer van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid afwijken. De Afdeling ziet geen grond om daar anders over te oordelen.
10.5.  De Afdeling concludeert dat wat [appellant] heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft om het oordeel van de rechtbank over de hiervoor genoemde punten onjuist te achten. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat kan worden uitgegaan van de juistheid van de in het akoestisch onderzoek berekende geluidwaarden. Daarbij wijst de Afdeling er nog op dat de geluidberekeningen zijn verricht met toepassing van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Dit is een wettelijk gehanteerde methode om de toekomstige geluidbelasting te berekenen. De Afdeling begrijpt dat [appellant] de geluidbelasting bij zijn woning wellicht anders ervaart en dat hij andere verwachtingen heeft van de toekomstige geluidbelasting, maar dat is onvoldoende om aan de juistheid van de met toepassing van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 berekende geluidwaarden te twijfelen. De betogen hierover slagen daarom niet.
De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de berekende geluidwaarden
11.     [appellant] betoogt dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat de berekende cumulatieve geluidbelasting van 52 dB op de gevels van zijn woning van uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.
[appellant] wijst er hierbij op dat plannen in voorbereiding zijn om de A4 uit te breiden en te reconstrueren. Dit zal op de gevel van zijn woning tot nog meer geluidoverlast leiden, zo betoogt [appellant]. Hij wenst dat de geluidseffecten hiervan bij de verlening van de omgevingsvergunning al waren meegenomen om te voorkomen dat hij steeds opnieuw in afzonderlijke besluiten met een toename van geluid wordt geconfronteerd.
[appellant] betoogt in dit verband ook dat een geluidbelasting boven de 53 dB volgens verschillende onderzoeken leidt tot ernstige geluidhinder en daarmee negatieve gezondheidseffecten. Dat de rechtbank in de einduitspraak een cumulatieve geluidbelasting van maximaal 60 dB nog aanvaardbaar heeft geacht, is volgens [appellant] onnavolgbaar. Hij wijst daarbij op het Actieplan Geluid van de provincie, waarin volgens hem ook wordt onderkend dat zo’n geluidniveau te hoog is. [appellant] wenst dat in de omgevingsvergunning verdere geluidmaatregelen waren voorgeschreven in de vorm van hogere grondwallen of geluidschermen en/of stiller asfalt op en langs het deel van de N211 in de bocht in de aansluiting op de A4, om er zo voor te zorgen dat de geluidhinder op met name de rechterzijgevel van zijn woning wordt gereduceerd in de richting van de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Hij betoogt in dit verband ook dat in de dossierstukken staat dat sprake is van een industrieel gebied, maar dat is volgens hem onjuist. Extra geluidbeperkende maatregelen vergen volgens [appellant] alleen maar beperkte investeringen. De rechtbank heeft onvoldoende doorgevraagd naar de concrete kosten van de verschillende geluidbeperkende maatregelen, zo betoogt [appellant]. Aanbevelingen van door eisers in de procedure bij de rechtbank ingeschakelde deskundigen, zoals de Nederlandse Stichting Geluidshinder en Peutz, zijn volgens hem zonder nadere motivering terzijde geschoven. In dit verband betoogt [appellant] ook dat de rechtbank heeft miskend dat de aanbevelingen van de deskundigen van eisers niet door het college zelf of door een onafhankelijke instantie zijn beoordeeld. De aanbevelingen zijn beoordeeld door Antea Group, die ook de oorspronkelijke plannen heeft gemaakt. [appellant] twijfelt aan de objectiviteit van die beoordeling.
11.1.  De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank in de tussenuitspraak onder 5.9.1 al heeft vastgesteld dat in paragraaf 4.2 van het akoestisch onderzoek staat dat voor de reconstructie van de A4 een procedure op basis van de Tracéwet wordt doorlopen en dat voor de berekening van het cumuleerde geluidniveau het verkeersmodel is aangevuld met de toekomstige gegevens van de A4. De rechtbank is eisers dan ook niet gevolgd in hun stelling dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met de toekomstige aanpassingen aan de A4. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom dit oordeel van de rechtbank onjuist is.
11.2.  Daarnaast stelt de Afdeling vast dat de rechtbank in de einduitspraak heeft geoordeeld dat het college alsnog toereikend heeft gemotiveerd waarom een cumulatieve geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. Dat laat onverlet dat de cumulatieve geluidbelasting bij de woning van [appellant] substantieel lager is, namelijk 52 dB. Deze geluidbelasting is ook lager dan de door [appellant] genoemde 53 dB.
Uit het akoestisch onderzoek behorende bij de omgevingsvergunning blijkt dat bij de woning van [appellant] de cumulatieve geluidbelasting van 52 dB, maximaal 1 dB hoger is dan de geluidbelasting als gevolg van uitsluitend de N211, waarvoor de hogere waarde is vastgesteld. Voor de woning van [appellant] is namelijk een hogere waarde vastgesteld van 49 dB. Dit is inclusief een aftrek van 2 dB als bedoeld in artikel 110g van de Wgh. Zonder deze aftrek gaat het om een geluidbelasting ten gevolge van de N211 van 51 dB. Dit is 1 dB lager dan de cumulatieve geluidbelasting van 52 dB, waarop de aftrek van 2 dB als bedoeld in artikel 110g van de Wgh niet is toegepast. De gecumuleerde geluidbelasting op de woning van [appellant] is dus maximaal 1 dB hoger dan de vastgestelde hogere waarde, exclusief aftrek.
In het akoestisch onderzoek bij de omgevingsvergunning en de nadere motivering van 26 september 2022 die het college naar aanleiding van de tussenuitspraak bij de rechtbank heeft ingediend, staat dat wanneer de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 1 dB hoger is dan de vastgestelde hogere waarde, de gecumuleerde geluidbelasting geheel of in overwegende mate wordt bepaald door de weg waarvoor de hogere waarde is vastgesteld. Andere geluidsbronnen dragen dan nauwelijks bij aan de gecumuleerde geluidbelasting, waardoor van een relevant gecumuleerd effect niet kan worden gesproken. Daarom is volgens het college de gecumuleerde geluidbelasting op de woning van [appellant] aanvaardbaar. De rechtbank heeft dit oordeel van het college gevolgd.
De Afdeling ziet geen aanleiding op dit punt tot een ander oordeel te komen. De Afdeling verwijst hierbij ook naar haar uitspraak van 21 september 2022, overweging 10.3, over het besluit hogere waarden. Daarin heeft de Afdeling vanwege het ontbreken van een relevant gecumuleerd effect bij de woning van [appellant] ook in het kader van het besluit hogere waarden geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college ziet niet op standpunt heeft mogen stellen dat de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] niet zal leiden tot een onaanvaardbare geluidbelasting.
11.3.  De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank het college toch had moeten opdragen om nadere geluidbeperkende maatregelen te onderzoeken om zo de geluidbelasting bij de woning van [appellant] verder te reduceren tot de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB, zoals [appellant] wenst. Het provinciale Actieplan Geluid waarnaar [appellant] in dit verband verwijst, verplicht daar niet toe. Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat de rechtbank in de overwegingen 5.6 tot en met 5.7.1 van de tussenuitspraak is ingegaan op zowel de bronmaatregelen als op de overdrachtsmaatregelen die in de notities van de door eisers ingeschakelde deskundigen waren genoemd.
Over de door deskundige van eisers voorgestelde bronmaatregelen in de vorm van de toepassing van tweelaags ZOAB(-fijn) is in de overwegingen 5.6 tot en met 5.6.2 van de tussenuitspraak van de rechtbank toegelicht waarom dit geen doelmatige maatregel is. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom dit oordeel van de rechtbank onjuist is.
In de overwegingen 5.7 en 5.7.1 van de tussenuitspraak van de rechtbank is daarnaast ingegaan op de door de deskundige van eisers voorgestelde overdrachtsmaatregelen in de vorm van het verhogen van de geluidswallen en schermen langs de N211, zoals ook [appellant] wenst. In die overwegingen is toegelicht welk geluidreducerend effect deze maatregelen hebben en waarom het effect daarvan niet in verhouding staat tot de extra kosten die met de maatregelen zijn gemoeid. Ook op dit punt heeft [appellant] niet geconcretiseerd waarom deze overwegingen van de rechtbank niet gevolgd kunnen worden. De Afdeling verwijst in dit verband bovendien op de overwegingen 6.7 en 6.8 van de uitspraak van 21 september 2022 over het besluit hogere waarden, waarin de Afdeling ook is ingegaan op de door onder meer [appellant] gewenste overdrachtsmaatregelen, waaronder een verhoging van de grondwal tot 4 m vanaf de brug over de Zweth tot aan de A4. Ook in die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat er weliswaar enig effect is van de door onder meer [appellant] gewenste maatregel, maar dat dit effect niet in verhouding staat tot de extra kosten die daarvoor benodigd zijn.
11.4.  De hiervoor besproken overwegingen van de rechtbank over de bron- en overdrachtsmaatregelen zijn weliswaar gebaseerd op notities van Antea Group, die als adviseur ook betrokken is geweest bij de verlening van de omgevingsvergunning, waaronder het opstellen van het akoestisch onderzoek behorende bij de omgevingsvergunning, maar alleen die omstandigheid betekent niet dat moet worden getwijfeld aan de objectiviteit van de door Antea Group verrichte beoordelingen. Het is aan [appellant] om daarvoor concrete omstandigheden aan te dragen waaruit zou blijken dat de aanbevelingen die de deskundigen van eisers hebben gedaan niet op objectieve wijze zouden zijn beoordeeld. Hiervoor heeft [appellant] geen onderbouwing aangeleverd. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank in de overwegingen niet zou hebben mogen aansluiten bij de bevindingen van Antea Group.
11.5.  De Afdeling volgt dan ook het oordeel van de rechtbank in overweging 10 van de einduitspraak. Daarin oordeelt de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de cumulatieve geluidbelasting bij de woning van [appellant] aanvaardbaar is. Ook ziet de Afdeling in wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, geen aanleiding om de overwegingen van de rechtbank dat er geen reden is om nadere bron- en overdrachtsmaatregelen te vereisen, niet te volgen. Voor het oordeel dat de aanbevelingen van de deskundigen van eisers in dit verband door de rechtbank zonder nadere motivering terzijde zouden zijn geschoven, bestaat op basis van wat hiervoor onder 11.3 is overwogen, geen aanleiding.
De betogen slagen niet.
Geluidhinder en beleid
12.     [appellant] betoogt in het kader van geluid tot slot dat de rechtbank op niet begrijpelijke, althans ongemotiveerde wijze heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet is verleend in strijd met het gemeentelijk beleid, provinciaal beleid en rijksbeleid. Volgens [appellant] is die strijd er wel, omdat het beleid vooral is gericht op het reduceren van geluidbelasting van de directe omgeving, terwijl de omgevingsvergunning juist tot een toename van de geluidbelasting op de directe omgeving leidt.
12.1.  De rechtbank heeft in de tussenuitspraak onder 9.1 overwogen dat het college onder meer heeft toegelicht dat door de reconstructie van de N211 het sluipverkeer op het onderliggend weggennet afneemt en de doorstroming op de N211 verbetert. Dit heeft volgens het college een positief effect op de leefbaarheid en de omgevingskwaliteit en sluit daarmee aan bij zowel gemeentelijk beleid, als ook bij provinciaal beleid en rijksbeleid.
In zowel het verweerschrift dat bij de rechtbank is ingediend als ook in de schriftelijke uiteenzetting die het college bij de Afdeling heeft ingediend, heeft het college dit standpunt nader toegelicht. Dat heeft het gedaan onder meer door toe te lichten op welke wijze in de omgevingsvergunning is getracht de negatieve impact van de wegaanpassingen op de omgeving zo klein mogelijk te houden. Het was aan [appellant] om concreet te maken op welke punten deze onderbouwing van het college, die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft gevolgd, niet deugt. Hij heeft in zijn nadere stuk in dit verband uitsluitend gewezen op het provinciale Actieplan Geluid, maar dit beleidsstuk bevat, anders dan [appellant] daaraan ontleent, geen verplichting om de geluidbelasting op de gevels van de woning van [appellant] in het kader van deze omgevingsvergunning te reduceren tot de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB, zoals [appellant] wenst. Daar is de Afdeling hiervoor onder 11.3 ook op ingegaan. Het beroep dat [appellant] doet op het Actieplan Geluid slaagt alleen al daarom niet.
Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat alleen de omstandigheid dat de wegaanpassingen op de gevel van de woning van [appellant] leiden tot een toename van de geluidbelasting, niet betekent dat zich strijd voordoet met het gemeentelijk beleid, provinciaal beleid of rijksbeleid, dat volgens [appellant] is gericht op het reduceren van belasting van de directe omgeving. Daarvoor dienen deze effecten afgezet te worden tegen de positieve effecten van de wegaanpassingen in de vorm van een afname van het sluipverkeer op het onderliggend wegennet en de verbetering van de doorstroming op de N211. Deze positieve effecten wegen volgens het college op tegen de met de wegaanpassing gepaard gaande negatieve effecten, in de vorm van bijvoorbeeld een toename van de geluidbelasting bij de woning van [appellant]. De Afdeling ziet geen grond om deze afweging van het college onevenredig te achten. Dit is ook gezien wat hiervoor onder 11.2 over de aanvaardbaarheid van het cumulatieve geluidniveau bij de woning van [appellant] is overwogen.
Het betoog slaagt niet.
Fijnstof
13.     [appellant] heeft in zijn nadere stuk ook gewezen op het aspect fijn stof. Daar is de rechtbank op ingegaan in de overwegingen 8 tot en met 8.2 van de tussenuitspraak. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond.
Conclusie
14.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraken van de rechtbank.
15.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, voorzitter, en mr. M.J.M. Ristra-Peeters en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.
w.g. Gundelach
voorzitter
w.g. Van Zuijlen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
810