ECLI:NL:RVS:2025:6214

Raad van State

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BRS.25.002410
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod na niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel

Op 4 oktober 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard, haar opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod opgelegd. Verzoeker stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 december 2025 het besluit vernietigde voor zover het de vertrektermijn en het inreisverbod betrof, en zelf een vertrektermijn van vier weken oplegde.

Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State besloot op 22 december 2025 dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, ter hoogte van €907,00.

De uitspraak betreft een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker worden beschermd gedurende de procedure in hoger beroep. De beslissing is genomen door voorzieningenrechter J.M. Willems in aanwezigheid van griffier S. van Driesten.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.25.002410
Datum uitspraak: 22 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2025 in zaak nr. NL25.48365 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard, haar opgedragen om Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover de minister een vertrektermijn heeft onthouden en een inreisverbod heeft uitgevaardigd en zelf in de zaak voorzien door een vertrektermijn op te leggen van vier weken.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025
1048