ECLI:NL:RVS:2025:6373
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- E.A. Minderhoud
- H.J.M. Besselink
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke geschillen over intrekking gedoogbeslissing en last onder dwangsom permanente bewoning recreatiewoning
Het college van Voorne aan Zee trok de persoonsgebonden gedoogbeslissing in die aan appellant A was verleend voor permanente bewoning van een recreatiewoning in Oostvoorne. Tevens legde het college aan appellant A en appellant B een last onder dwangsom op wegens strijdige bewoning met het bestemmingsplan. Appellant A en B stelden beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank oordeelde dat appellant A terecht als overtreder werd aangemerkt en verklaarde het bezwaar van appellant B tegen de last onder dwangsom gegrond wegens motiveringsgebrek. Het college herzag het besluit en verklaarde het bezwaar van appellant B opnieuw ongegrond, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de eerdere uitspraken. De intrekking van de gedoogbeslissing werd niet als besluit in de zin van de Awb aangemerkt, waardoor bezwaar niet ontvankelijk was. Het college mocht appellant A als overtreder aanmerken omdat hij de recreatiewoning liet gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. De belangen van appellant B en zijn kleinzoon, waaronder mantelzorg en het belang van het kind, werden voldoende meegewogen. Er was geen sprake van een disproportionele inbreuk op artikel 8 EVRM Pro of artikelen 3 en 5 IVRK.
Vanwege het belang van de minderjarige kleinzoon werd een voorlopige voorziening getroffen waarbij de last onder dwangsom voor appellant A en B werd geschorst tot 31 juli 2026. Het verzoek van appellant A om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen. De Afdeling zag geen aanleiding voor proceskostenvergoedingen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de gedoogbeslissing en last onder dwangsom, wijst schadevergoeding af en schorst de last onder dwangsom tot 31 juli 2026.