ECLI:NL:RVS:2025:6431

Raad van State

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
202403175/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van bezwaar door college van burgemeester en wethouders van Roosendaal

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die op 11 april 2024 het beroep ongegrond verklaarde. Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal had op 3 mei 2023 besloten om brede ondersteuning te bieden aan [appellante] en een plan van aanpak opgesteld. Echter, het college verklaarde het bezwaar van [appellante] tegen dit besluit niet-ontvankelijk, omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, wat leidde tot het ongegrond verklaren van het beroep.

[appellante] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat was om binnen de termijn bezwaar te maken. Zij stelt dat haar geestelijke en lichamelijke situatie haar belemmerde om tijdig bezwaar te maken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld op 16 december 2025. De Afdeling oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond die [appellante] zouden hebben belet om tijdig bezwaar te maken. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202403175/1/A2.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Roosendaal,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West-­Brabant van 11 april 2024 in zaak nr. 23/9519 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2023 heeft het college besloten om aan [appellante] brede ondersteuning te bieden en hiervoor een plan van aanpak opgesteld.
Bij besluit van 24 juli 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 11 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. I.M. van den Heuvel, advocaat in Roosendaal, en het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal, vertegenwoordigd door mr. M. van Koolen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Het college heeft het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 3 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De rechtbank heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Zij heeft het beroep van [appellante] daarom ongegrond verklaard.
Beoordeling van het hoger beroep van [appellante]
2.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat was om binnen de termijn bezwaar te maken. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat ook geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid. Zij had zich, door haar geestelijke en lichamelijke situatie, niet gerealiseerd dat er een bezwaarmogelijkheid was tegen het besluit van 3 mei 2023. Zij heeft op 21 juni 2023 haar advocaat hierover geïnformeerd. Deze heeft vervolgens op 7 juli 2023 bezwaar gemaakt. Volgens [appellante] moet dit als tijdig worden aangemerkt.
3.       De Afdeling stelt voorop dat niet in geschil is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt, dateert van 3 mei 2023 en op 8 mei 2023 is verzonden. De laatste dag waarop bezwaar kon worden gemaakt was 19 juni 2023. De gemachtigde van [appellante] heeft bij brief van 7 juli 2023 bezwaar gemaakt en dit bezwaarschrift is op 10 juli 2023 door het college ontvangen. De vraag ligt voor of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. In dat verband zijn de uitspraken van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33, ECLI:NL:CBB:2024:34) van belang. De rechtbank heeft bij haar toetsing die uitspraken als uitgangspunt genomen. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die [appellante] betreffen. Dat zij heeft gesteld dat zij door de toeslagenaffaire lichamelijke en psychische klachten had, is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, te algemeen gesteld. Ook in hoger beroep is niet met (medische) stukken onderbouwd dat [appellante] gedurende de hele bezwaartermijn niet in staat is geweest om tijdig een, eventueel voorlopig, bezwaarschrift in te dienen of om een derde in te schakelen om dit namens haar te doen. Alleen al om deze reden is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
4.       Overigens is het bezwaarschrift ook niet zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd ingediend. Niet in geschil is dat het door de gemachtigde op vrijdag 7 juli 2023 per post verzonden bezwaarschrift door het college op 10 juli 2023 is ontvangen. Ervan uitgaande dat de gemachtigde al op 21 juni 2023 op de hoogte is gebracht van de beslissing van 3 mei 2023 en daarvan op 23 juni 2023 daadwerkelijk inhoudelijk kennis heeft genomen is dit niet zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dat de gemachtigde tijd nodig had om het besluit te bestuderen om te beoordelen of bezwaar maken zinvol was, maakt dit oordeel niet anders. Hij had ook meteen in elk geval pro forma bezwaar kunnen maken, wetende dat de bezwaartermijn al was verstreken. Deze keuze van de gemachtigde komt voor risico van [appellante].
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
594