202402297/1/R3.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Platform Keelbos, gevestigd in Nuth,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2024 in zaak nr. 22/4505 in het geding tussen:
de stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen.
Procesverloop
Bij besluit van 25 mei 2022 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een dagcamping naar een camping met verblijfsrecreatie op het perceel [locatie] in Steendam voor de duur van vijf jaar (hierna: het perceel).
Bij besluit van 31 oktober 2022 heeft college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 maart 2024 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2022 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 juli 2025, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. W.S. Brouwer en R. Hazekamp, zijn verschenen. Verder is op de zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. R. Oosterbroek, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 februari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 22 februari 2022 heeft [vergunninghouder] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van een dagcamping naar een camping met verblijfsrecreatie op het perceel.
Het college heeft bij besluit van 25 mei 2022 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo voor een periode van vijf jaar. Het heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). In afwijking van het bestemmingsplan "Buitengebied" wordt hiermee voor een periode van vijf jaar verblijfsrecreatie op het perceel toegestaan.
De stichting is een belangenorganisatie voor homo-ontmoetingsplekken (hierna: HOP). Zij wijst erop dat de dagcamping en het aangrenzende bos al jaren in medegebruik zijn als HOP. Zij maakt zich er zorgen over dat met het besluit de gronden van de camping worden onttrokken aan de openbaarheid, zodat het gebruik als HOP niet meer mogelijk is.
Aangevallen uitspraak
3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat het college de belangen van de stichting niet kenbaar heeft meegenomen in de belangenafweging. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten gelet op de aanvullende motivering van het college. Het college heeft op de zitting toegelicht dat hij een zwaarder gewicht heeft toegekend aan het verlenen van de omgevingsvergunning dan aan het belang van de gebruikers van de HOP. Zo is er volgens het college een maatschappelijke behoefte aan een camping en is het perceel de meest aangewezen plek om deze te realiseren. Volgens het college staat daar tegenover dat in de omgeving meerdere plekken beschikbaar zijn die als HOP kunnen worden gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college een zwaarder gewicht mogen toekennen aan de vergunningverlening dan aan het belang van de stichting. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de stichting met het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredig in haar belangen wordt geschaad.
Relevante regelgeving
4. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.
Procesbelang
5. De stichting heeft verschillende hoger beroepsgronden aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of de stichting nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van die hoger beroepsgronden. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, dan is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
5.1. Bij besluit van besluit van 4 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Midden-Groningen het bestemmingsplan "Herontwikkeling camping Steendam" vastgesteld. Bij uitspraak van 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6280, heeft de Afdeling beslist op het daartegen ingestelde beroep door de stichting en dit besluit in stand gelaten. Dit bestemmingsplan is daarmee onherroepelijk geworden. De Afdeling stelt vast dat het perceel in het plan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" heeft gekregen. Op grond van artikel 3.1, aanhef onder a en b, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor (dag)recreatie en verblijfsrecreatie in de vorm van een kampeerterrein. De Afdeling overweegt dat hiermee de vergunde camping met verblijfsrecreatie in overeenstemming is met het nieuwe bestemmingsplan, zodat niet langer een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo vereist is. Dit betekent dat de camping met verblijfsrecreatie zonder de in geding zijnde omgevingsvergunning voor afwijken van het plan kan worden gerealiseerd en geëxploiteerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de stichting daarom geen procesbelang meer bij de beoordeling van het hoger beroep. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan toch procesbelang kan worden aangenomen, is niet gebleken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3051. 5.2. De Afdeling zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden in hoger beroep.
Conclusie
6. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Wolvers-Poppelaars
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
780-1139
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
[…]
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
[…]
Besluit omgevingsrecht, bijlage II
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
[…]
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Bestemmingsplan "Herontwikkeling camping Steendam"
Artikel 3.1
De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. (dag)recreatie;
b. verblijfsrecreatie in de vorm van een kampeerterrein;
en daaraan ondergeschikt;
c. groen-, nuts-, parkeer- en speelvoorzieningen;
d. voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;
e. bijbehorende additionele voorzieningen;
en tevens voor:
f. horecavoorzieningen (maximaal horecabedrijf categorie 1) en/of detailhandel ten dienste van de bestemming en met een totale oppervlakte van ten hoogste 300 m2;
g. kleinschalige duurzame energieopwekking;
h. bedrijfswoning;
i. een werkschuur;
j. trekkershutten.