ECLI:NL:RVS:2019:3051
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- R.W.L. Koopmans
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep omgevingsvergunning verrijdbare kas op agrarisch perceel
Het college van burgemeester en wethouders van Renkum verleende op 29 november 2016 een omgevingsvergunning aan Barenbrug Holland B.V. voor de bouw van een verrijdbare kas op een agrarisch perceel te Wolfheze. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde het besluit en herroept de vergunning, waarna het college en Barenbrug hoger beroep instelden.
In januari 2018 verleende het college opnieuw de vergunning, ditmaal getoetst aan het nieuwe bestemmingsplan "Wolfheze 2017". Appellant stelde zich op het standpunt dat het bouwplan niet voldoet aan het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bouwplan binnen het bouwvlak ligt en voldoet aan de maximale bebouwingsoppervlakte en bouwhoogte volgens het nieuwe bestemmingsplan.
De Afdeling verwierp het betoog van appellant dat het traject waarover de kassen kunnen worden uitgereden moet worden meegeteld bij de bebouwde oppervlakte. Ook het beroep dat het bouwplan niet voldoet aan de welstandscriteria faalde, aangezien appellant geen deskundig tegenadvies overlegde. Het hoger beroep van het college en Barenbrug werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het incidenteel hoger beroep van appellant verviel. Het beroep van appellant tegen het besluit van 10 januari 2018 werd ongegrond verklaard.
Tot slot werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant en werd griffierecht geheven.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college en Barenbrug is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van appellant ongegrond.