ECLI:NL:RVS:2025:6441
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken rechtsgeldige terugkeerbesluit en toekenning schadevergoeding
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 24 november 2025 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel op 12 december 2025 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of het terugkeerbesluit van 20 maart 2019 als grondslag voor de bewaring kon dienen. De rechtbank oordeelde dat dit besluit niet meer ter beoordeling stond, maar had moeten toetsen of het besluit wel als terugkeerbesluit kon gelden. De Afdeling stelde vast dat het besluit niet voldeed aan de vereisten, omdat het geen land van terugkeer noemde en de motivering onduidelijk was.
Omdat er geen rechtsgeldige terugkeerbesluit was, was de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat de bewaring per direct wordt opgeheven. Tevens werd appellant een schadevergoeding van €3.800 toegekend over de periode van bewaring en werden de proceskosten van €2.721 vergoed.
Uitkomst: De bewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van een rechtsgeldig terugkeerbesluit en appellant krijgt schadevergoeding en proceskosten toegekend.