ECLI:NL:RVS:2025:697

Raad van State

Datum uitspraak
21 februari 2025
Publicatiedatum
24 februari 2025
Zaaknummer
202407478/4/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8:87 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige voorziening vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 23 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel gegrond en beval opheffing met ingang van 11 december 2024, inclusief toekenning van schadevergoeding. De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

Op 12 december 2024 bepaalde de voorzieningenrechter dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat op het hoger beroep is beslist. Een verzoek van de vreemdeling om deze voorlopige voorziening op te heffen werd op 13 december 2024 afgewezen. De vreemdeling verzocht opnieuw op 11 februari 2025 om opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek niet kan worden ingewilligd omdat het belang van de minister bij grensbewaking zwaarwegend is en de belangenafweging niet anders uitvalt. De inhoudelijke toetsing van het voortduren van de maatregel behoort niet tot de bevoegdheid van deze procedure. Het verzoek wordt afgewezen en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het verzoek van de vreemdeling om opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

202407478/4/V3.
Datum uitspraak: 21 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.47086 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij uitspraak van 12 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5185, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Bij uitspraak van 13 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5195, heeft de voorzieningenrechter een verzoek van de vreemdeling om opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening afgewezen.
De vreemdeling heeft bij brief van 11 februari 2025 de voorzieningenrechter opnieuw verzocht de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.
Overwegingen
De uitspraak van 12 december 2024
1.       In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Het verzoek van de vreemdeling
2.       De vreemdeling verzoekt de voorzieningenrechter de getroffen voorlopige voorziening op te heffen dan wel te wijzigen. Hij wijst erop dat hij bij de rechtbank beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel, maar dat de rechtbank dit beroep bij uitspraak van 31 december 2024 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij klaagt dat het voortduren van de maatregel inhoudelijk moet kunnen worden behandeld.
Beoordeling
3.       In de uitspraak van 12 december 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen, omdat onder de gegeven omstandigheden doorslaggevend gewicht toekomt aan het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang. Na hernieuwd onderzoek ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen. De vreemdeling heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat de belangenafweging nu anders zou moeten uitvallen. De door de vreemdeling aan de orde gestelde vraag over inhoudelijke toetsing van het voortduren van de grensdetentie, ligt in een aantal hoger beroepen bij de Afdeling voor. Deze procedure bij de voorzieningenrechter leent zich niet voor behandeling van die vraag.
Conclusie
4.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2025
918