ECLI:NL:RVS:2025:697
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige voorziening vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 23 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel gegrond en beval opheffing met ingang van 11 december 2024, inclusief toekenning van schadevergoeding. De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Op 12 december 2024 bepaalde de voorzieningenrechter dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat op het hoger beroep is beslist. Een verzoek van de vreemdeling om deze voorlopige voorziening op te heffen werd op 13 december 2024 afgewezen. De vreemdeling verzocht opnieuw op 11 februari 2025 om opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek niet kan worden ingewilligd omdat het belang van de minister bij grensbewaking zwaarwegend is en de belangenafweging niet anders uitvalt. De inhoudelijke toetsing van het voortduren van de maatregel behoort niet tot de bevoegdheid van deze procedure. Het verzoek wordt afgewezen en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek van de vreemdeling om opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening wordt afgewezen.