ECLI:NL:RVS:2025:709
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens overdracht naar Slovenië
De vreemdeling, met Somalische nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Slovenië verantwoordelijk werd geacht voor de asielprocedure. De vreemdeling voerde psychische klachten aan die volgens hem een overdracht onmogelijk maakten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had onderzocht of de overdracht naar Slovenië ernstige en onomkeerbare gevolgen voor de gezondheid van de vreemdeling zou hebben, mede gelet op een brief van de psychiater die na het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) was overgelegd. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuwe beslissing.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat het BMA-advies voldoende was om de twijfel weg te nemen, mits aan de reisvereisten werd voldaan. De Raad van State constateerde dat de staatssecretaris de nieuwe medische informatie uit de psychiatrische brief onvoldoende had onderzocht, maar na aanvullend advies van het BMA, dat het eerdere advies handhaafde, was de twijfel over een schending van artikel 3 EVRM Pro weggenomen.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de zaak terug voor herbeoordeling, waarbij het oordeel van de Afdeling in acht moet worden genomen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling met inachtneming van het oordeel van de Afdeling.