ECLI:NL:RVS:2025:710

Raad van State

Datum uitspraak
26 februari 2025
Publicatiedatum
24 februari 2025
Zaaknummer
BRS.24.000431
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 3 DublinverordeningArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 92 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep minister inzake overdracht vreemdelingen volgens Dublinverordening

De minister van Asiel en Migratie heeft bij bericht van 20 augustus 2024 aan de Kroatische autoriteiten medegedeeld dat de overdracht van vreemdelingen niet vóór 27 augustus 2024 kan plaatsvinden vanwege opschortende werking op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.

De rechtbank Den Haag heeft op 12 november 2024 het beroep van de vreemdelingen tegen deze mededeling niet-ontvankelijk verklaard. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De Afdeling oordeelt dat de minister in beginsel geen belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat de rechtbank het beroep van de vreemdelingen niet-ontvankelijk heeft verklaard. De overwegingen van de rechtbank waartegen het hoger beroep is gericht, zijn ten overvloede genomen en de rechtsvraag is reeds beantwoord in een eerdere uitspraak van 5 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4948).

Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk, wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 907,00 ten behoeve van de vreemdelingen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

BRS.24.000431 en BRS.24.000432
Datum uitspraak: 26 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.34410 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
en
de minister.
Procesverloop
Bij bericht van 20 augustus 2024 heeft de minister de Kroatische autoriteiten medegedeeld dat de overdracht van de vreemdelingen niet plaats kan vinden voor 27 augustus 2024, vanwege opschortende werking overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.
Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. L.M. Straver, advocaat in Utrecht, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.De minister heeft in beginsel geen belang bij beoordeling van zijn hoger beroep, omdat de rechtbank het beroep van de vreemdelingen niet-ontvankelijk heeft verklaard. In wat de minister heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding om dit belang toch aan te nemen. De overweging van de rechtbank waartegen de grief is gericht, is een door de rechtbank ten overvloede genomen overweging. Een antwoord op de door de minister opgeworpen rechtsvraag is verder vanuit het oogpunt van de rechtseenheid, de rechtsbescherming of de precedentwerking niet van belang, omdat die rechtsvraag al is beantwoord door de Afdeling in haar uitspraak van 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4948, onder 3.1 t/m 3.3.
2.Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.  verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.  wijst het verzoek af;
III.  veroordeelt de minister tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2025
872-1086