ECLI:NL:RVS:2024:4948
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over opschorting overdrachtstermijn bij voorlopige voorziening in Dublinprocedure
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een vreemdeling op 12 juni 2024 in bewaring met het oog op overdracht naar Zwitserland volgens de Dublinverordening. De vreemdeling maakte bezwaar tegen de feitelijke overdracht en vroeg een voorlopige voorziening aan, welke werd toegewezen door de voorzieningenrechter, waardoor de overdracht werd verboden totdat op bezwaar was beslist. De minister stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank die de bewaring opheefde en schadevergoeding toekende.
De kern van het geschil betrof de vraag of de voorlopige voorziening de overdrachtstermijn opschort volgens de Dublinverordening. De minister stelde dat dit het geval was, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit door een voorlopige voorziening op grond van nationaal recht niet leidt tot opschorting van de overdrachtstermijn zoals bedoeld in de Dublinverordening.
De Afdeling volgde het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 30 maart 2023 en stelde dat alleen opschorting op grond van artikel 27, derde of vierde lid, van de Dublinverordening de termijn opschort. Het hoger beroep van de minister faalde en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd eveneens ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard.