ECLI:NL:RVS:2025:74
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling met Algerijnse nationaliteit
De zaak betreft een Algerijnse vreemdeling die herhaaldelijk niet voldeed aan het bevel zich naar Frankrijk te begeven, waar hij een verblijfsrecht had. De minister stelde hem in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De rechtbank oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was en baseerde zich op artikel 59, tweede lid, Vw 2000, omdat de benodigde bescheiden voor uitzetting naar Algerije niet voorhanden zouden zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de minister de bewaring terecht had opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a. De minister had immers een terugkeerbesluit genomen nadat de vreemdeling niet aan het bevel tot vertrek naar Frankrijk had voldaan. De Afdeling stelde vast dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat alle benodigde bescheiden voor uitzetting naar Algerije aanwezig moesten zijn.
Verder oordeelde de Afdeling dat het ondertekenen van de maatregel door een ambtenaar in plaats van de staatssecretaris geen onrechtmatigheid opleverde, omdat de ambtenaar daartoe bevoegd was en de belangenafweging in het voordeel van de minister uitviel. De Afdeling zag ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.