ECLI:NL:RVS:2025:740
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergoeding waardedaling woningen door Instituut Mijnbouwschade Groningen
Appellant is sinds respectievelijk 1970 en 1978 eigenaar van twee woningen in het aardbevingsgebied Groningen. In 2021 vroeg hij vergoeding voor waardedaling van deze woningen aan bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen. Het Instituut kende vergoedingen toe op basis van de WOZ-waarde op 1 januari 2019, welke besluiten werden gehandhaafd bij bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de WOZ-waarden onjuist waren vastgesteld omdat fysieke aardbevingsschade de waarde negatief beïnvloedde en dat hij recht had op vergoeding van immateriële schade. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het Instituut de regeling correct toepaste door uit te gaan van de WOZ-waarde op de peildatum en dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die afwijking van de regeling rechtvaardigen.
De Afdeling stelde vast dat uit WOZ-taxatieverslagen en bezwaarbesluiten niet bleek dat de WOZ-waarden waren verlaagd wegens aardbevingsschade. Ook het verwijzen naar hogere WOZ-waarden van nabijgelegen woningen was niet relevant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.