ECLI:NL:RVS:2025:8
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang bij afgewezen asielaanvraag
De vreemdelingen hebben bij de Raad van State een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen hun uitzetting, nadat hun aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank had het beroep van de vreemdelingen tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de vreemdelingen niet mogen worden uitgezet zolang het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank nog niet is beslist. Tevens is bepaald dat de vreemdelingen recht hebben op opvang en verstrekkingen gedurende deze periode. De minister is daarnaast veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten die de vreemdelingen hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
Deze beslissing is genomen op basis van de belangenafweging en eerdere jurisprudentie, waarbij het belang van de vreemdelingen om niet uitgezet te worden tijdens de procedure zwaarder weegt dan het belang van de minister. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Soffers en griffier F.W. de Lange op 3 januari 2025.
Uitkomst: De vreemdelingen mogen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.