ECLI:NL:RVS:2025:839
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling kan geen afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan Verblijfsrichtlijn bij dubbele nationaliteit partner
De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag van een vreemdeling met de Libanese nationaliteit om een verblijfsdocument als partner van een Unieburger met dubbele nationaliteit (Nederlands en Iers). De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat de situatie een zuiver interne aangelegenheid betreft. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de vreemdeling als duurzame partner van de Unieburger begunstigde was van de Verblijfsrichtlijn, maar de minister ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komt in haar uitspraak terug op eerdere jurisprudentie en stelt dat een Unieburger met dubbele nationaliteit geen beroep kan doen op de Verblijfsrichtlijn in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit. Wel kan een derdelander-partner een afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan artikel 21 van Pro het VWEU, maar alleen als het recht van vrij verkeer van de Unieburger daadwerkelijk wordt aangetast.
In dit geval is het recht van vrij verkeer niet aangetast omdat de relatie pas na terugkeer in Nederland ontstond en de Unieburger niet langer dan drie maanden met de vreemdeling in een andere lidstaat verbleef. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Prejudiciële vragen zijn niet nodig omdat de rechtspraak van het Hof voldoende duidelijkheid biedt.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep van de vreemdeling af wegens het ontbreken van een afgeleid verblijfsrecht.