ECLI:NL:RVS:2025:865
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens termijnoverschrijding
Appellante diende een aanvraag in voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, stellende dat zij slachtoffer was van huiselijk geweld tussen 2000 en 2012, met bedreigingen tot 2014. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af wegens overschrijding van de wettelijke termijn van tien jaar.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het geweld pas in 2014 was gestopt, noch dat zij de aanvraag zo spoedig mogelijk had ingediend. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de CSG in eerdere gevallen van termijnoverschrijding zonder onderbouwing van psychische overmacht toch een uitkering had toegekend.
In hoger beroep stelde appellante dat het psychisch geweld pas in 2014 was geëindigd en dat de CSG in het verleden soepeler was geweest, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht de eerste opgave van 2012 als einddatum van het geweld als uitgangspunt had genomen. Objectieve stukken ontbraken om het geweld tot 2014 aan te tonen. De Afdeling bevestigde dat de aanvraag niet tijdig was ingediend en dat het beroep ongegrond is.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt bevestigd.