ECLI:NL:RVS:2025:967

Raad van State

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
11 maart 2025
Zaaknummer
202501147/1/V2 en 202501147/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:104 AwbArt. 6:15 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen niet-in-behandeling-neming verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie heeft op 6 februari 2025 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, die op 20 februari 2025 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank toepassing had gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor hoger beroep tegen die uitspraak niet mogelijk is volgens artikel 8:104, tweede lid, Awb.

De Afdeling verklaarde zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd het hogerberoepschrift doorgestuurd naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, voor verdere behandeling als verzetschrift. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

202501147/1/V2 en 202501147/2/V2.
Datum uitspraak: 11 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 februari 2025 in zaak nr. NL25.5738 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 20 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.L.M. Stieger, advocaat in 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Tegen die uitspraak kan daarom geen hoger beroep worden ingesteld. Zie artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen daartegen, zoals in de rechtsmiddelenclausule onder de uitspraak van de rechtbank ook wordt vermeld, wel verzet doen bij de bestuursrechter. In dit geval is de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, bevoegd. Zie artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.
2.       De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
3.       De Afdeling zal het hogerberoepschrift van de vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank doorsturen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, voor verdere behandeling als verzetschrift. Zie artikel 6:15 van Pro de Awb.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Wissels
w.g. Heinen
voorzieningenrechter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025
984