ECLI:NL:RVS:2025:967
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen niet-in-behandeling-neming verblijfsvergunning asiel
De minister van Asiel en Migratie heeft op 6 februari 2025 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, die op 20 februari 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank toepassing had gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor hoger beroep tegen die uitspraak niet mogelijk is volgens artikel 8:104, tweede lid, Awb.
De Afdeling verklaarde zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd het hogerberoepschrift doorgestuurd naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, voor verdere behandeling als verzetschrift. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.