ECLI:NL:RVS:2025:998
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing eenmalig woningaanbod na urgentieverklaring
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 1 april 2022 een urgentieverklaring aan appellante en haar kinderen wegens een levensbedreigende medische situatie, met een specifiek zoekprofiel voor een woning. Appellante diende op 17 juli 2022 een aanvraag in voor een eenmalig woningaanbod, omdat zij binnen de geldigheidsduur van de urgentieverklaring geen passende woning had kunnen vinden.
Het college wees deze aanvraag af omdat niet was voldaan aan de voorwaarde uit artikel 4:8, vierde lid, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019, namelijk dat moest blijken dat de urgentieverklaring niet benut kon worden binnen de geldigheidsduur. Het college constateerde dat appellante slechts eenmaal reageerde op een woning die niet aan haar zoekprofiel voldeed en dat zij vier passende woningen niet heeft beantwoord.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling oordeelt dat appellante geen nieuwe of voldoende gronden heeft aangevoerd om het oordeel van de rechtbank te weerleggen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het eenmalig woningaanbod wordt bevestigd.