ECLI:NL:RVS:2026:1026
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel
De minister van Asiel en Migratie nam een aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister nader onderzoek te doen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel reeds was beantwoord in een eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en beoordeelde het beroep zelf.
Betrokkene stelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij de aanvraag niet aan zich had getrokken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, met name vanwege psychische klachten en familiebanden in Nederland. De Afdeling oordeelde dat de minister de omstandigheden voldoende had betrokken bij zijn beoordeling en dat de psychische klachten niet met medische stukken waren onderbouwd. Ook was de aanwezigheid van zussen in Nederland onvoldoende bijzonder om overdracht aan Polen te weigeren.
Daarom werd het beroep van betrokkene ongegrond verklaard en hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.