ECLI:NL:RVS:2026:1033
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing inzageverzoek persoonsgegevens Belastingdienst op grond van AVG
Appellant verzocht de minister van Financiën op grond van de artikelen 12 en 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om inzage in zijn persoonsgegevens, omdat hij vermoedde dat de Belastingdienst onrechtmatig gegevens aan derden had verstrekt. Het verzoek betrof onder meer documenten waarin appellant als fraudeur werd aangemerkt en verslagen van tripartiet overleg (TPO) waarin zijn gezondheidstoestand werd besproken.
De minister verstrekte in meerdere besluiten over de jaren 2020 tot 2023 steeds meer persoonsgegevens, maar weigerde de naam van de bron van bepaalde medische gegevens te verstrekken. Deze weigering baseerde de minister op artikel 23, eerste lid, onderdeel i, van de AVG en artikel 41 van Pro de Uitvoeringswet AVG, omdat het verstrekken van de naam de persoonlijke levenssfeer van de derde zou schenden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat hoewel de minister in beginsel gehouden is tot inzage in alle beschikbare informatie over de bron van persoonsgegevens, het recht op inzage geen afbreuk mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de derde zwaarder weegt dan het belang van appellant bij inzage en waarheidsvinding.
Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard. De Afdeling benadrukte dat het geschil zich uitsluitend richt op het inzagerecht en niet op de handelwijze van de Belastingdienst omtrent zijn gezondheidstoestand. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de minister om de naam van de bron van bepaalde persoonsgegevens niet te verstrekken is ongegrond verklaard.