AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering paspoortaanvraag wegens twijfel aan echtheid documenten
Appellanten dienden namens hun minderjarige kind een aanvraag in voor een Nederlands paspoort, waarbij zij diverse documenten overlegden, waaronder een geboorteakte en identiteitsbevestiging uit Somalië. De minister weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst concludeerde dat deze documenten waarschijnlijk niet bevoegd waren opgemaakt en afgegeven, waardoor de identiteit en het Nederlanderschap van het kind niet konden worden vastgesteld.
Appellanten voerden aan dat het onderzoek naar de echtheid van de documenten slechts een formaliteit was en dat DNA-onderzoek hun ouderschap bevestigde. De Raad van State oordeelde echter dat het beleid van de minister zorgvuldig is en dat het Bureau Documenten een degelijk onderzoek heeft verricht. DNA-onderzoek kan alleen relevant zijn als de brondocumenten eerst positief worden beoordeeld.
De Raad van State bevestigde dat de minister op grond van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 terecht de aanvraag buiten behandeling heeft gelaten omdat de nodige zekerheid over identiteit en nationaliteit ontbrak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de minister om de paspoortaanvraag in behandeling te nemen wegens onvoldoende zekerheid over identiteit en nationaliteit.
Uitspraak
202406200/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B], namens hun minderjarig kind [naam kind], allen wonend in [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 augustus 2024 in zaak nr. 23/7962 in het geding tussen:
[appellanten]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2022 heeft de minister geweigerd de aanvraag van [appellanten] voor een Nederlands paspoort voor hun kind in behandeling te nemen.
Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de minister het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 januari 2026, waar [appellant A], bijgestaan, en [appellante B], vertegenwoordigd door mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat in Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen. Verder is M. Mardo als tolk verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellanten] hebben op 31 maart 2022 namens hun kind [naam kind] (hierna: kind) een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort en hebben daarvoor een geboorteakte, een identiteitsbevestiging van het kind, een huwelijksakte en een echtscheidingsakte overgelegd. De minister heeft de aanvraag op 14 juli 2022 niet in behandeling genomen. Uit onderzoek naar de echtheid van documenten van het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: Bureau Documenten) volgt dat de geboorteakte en de identiteitsbevestiging waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, omdat de opmaak en de afgifte van deze documenten afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Daarom kan niet worden vastgesteld of de inhoud van die documenten juist is. De minister heeft de aanvraag daarom op grond van artikel 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: Pub 2001) niet in behandeling genomen. Volgens de minister kan de identiteit en het Nederlanderschap van het kind niet worden vastgesteld.
Hoger beroep
2. [appellanten] betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderzoek naar de echtheid van de brondocumenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Zij voeren daartoe allereerst aan dat het Bureau Documenten de door hen overgelegde documenten op echtheid heeft onderzocht, maar dat een dergelijke beoordeling geen nut heeft. De minister stelt zich immers op het standpunt dat een Somalisch document bij het ontbreken van centraal gezag in Somalië nooit echt kan zijn. Daarom staat het resultaat van dat onderzoek van tevoren al vast. Het onderzoek zelf is daarmee in feite geen waarheidsvinding, maar slechts een formaliteit. Het is daarom vanzelfsprekend dat Bureau Documenten de door hen overgelegde documenten niet positief heeft bevonden.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3490, r.o. 3.2, waar de rechtbank ook naar verwijst, worden documenten uit Somalië in Nederland niet erkend wegens het ontbreken van centraal gezag in dat land. De minister voert het beleid dat aan het niet-erkennen van dergelijke documenten onder bijzondere omstandigheden geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend, omdat dit anders zou betekenen dat een kind dat in Somalië is geboren uit een in Somalië gesloten huwelijk nooit het Nederlanderschap zou kunnen ontlenen aan een van de Nederlandse ouders en daarom nooit een Nederlands paspoort zou kunnen verkrijgen, wat volgens de minister sociaal onwenselijk is. Daarom laat de minister Somalische geboorte- en huwelijksakten eerst op echtheid onderzoeken door het Bureau Documenten. In het geval de akten positief zijn beoordeeld, laat de minister vervolgens DNA-onderzoek doen naar de relatie tussen het kind en de gestelde ouders. Bij een positieve uitslag van het DNA-onderzoek kan de minister een Nederlands paspoort aan het kind verstrekken.
2.2. De Afdeling is, net als de rechtbank, van oordeel dat geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid en de zorgvuldige totstandkoming van het onderzoek van Bureau Documenten. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat dit beleid een schijnvertoning is, overweegt de Afdeling dat dit beleid juist is opgesteld om in voorkomende gevallen toch een Nederlands paspoort te kunnen verstrekken in Somalische zaken. De minister heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat denkbaar is dat onderzoeken van Bureau Documenten naar Somalische brondocumenten wel eindigen met een positieve Verklaring van Onderzoek. In de schriftelijke uiteenzetting van 15 januari 2025 heeft de minister onder verwijzing naar het bij de rechtbank uitgebrachte verweerschrift nader toegelicht welke bevindingen tot een positief oordeel over een Somalisch brondocument leiden en wat dan de bijbehorende conclusies zijn over de echtheid, opmaak en afgifte. Verder heeft de minister hierover op de zitting bij de Afdeling nog toegelicht dat het met enige regelmaat voorkomt dat overgelegde brondocumenten in de primaire fase niet in orde zijn, maar dat men in bezwaar nieuwe documenten overlegt die wel positief worden bevonden door het Bureau Documenten. [appellanten] hebben hierover op de zitting bij de Afdeling gesteld dat het indienen van andere, nieuwe stukken juist leidt tot meer twijfel over de identiteit, omdat in Somalië elke vier jaar nieuwe verkiezingen zijn, die weer leiden tot andere brondocumenten. De Afdeling ziet in deze stelling geen reden niet uit te gaan van de juistheid van de toelichting van de minister dat het voorkomt dat in bezwaar overgelegde nieuwe brondocumenten wel als echt worden aangemerkt. De stelling van [appellanten] dat het onderzoek van tevoren vast zou staan en slechts een formaliteit zou zijn, volgt de Afdeling daarom niet. Het enkele feit dat de minister geen cijfers van het aantal positieve oordelen heeft overgelegd, maakt dat niet anders. Verder staat het feit dat de minister geen inzicht heeft door het Bureau Documenten gebruikte vergelijkingsmateriaal dat de minister geen betekenis mag toekennen aan het oordeel van het Bureau Documenten. Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het onderzoek naar de echtheid van de brondocumenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
2.3. Het betoog slaagt niet.
3. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister hun aanvraag niet in behandeling hoefde te nemen. Zij voeren daartoe aan dat zij met de overgelegde documenten voldoende bewijs hebben geleverd van de identiteit van hun kind. Er is zelfs DNA-onderzoek waaruit blijkt dat [appellanten] de ouders zijn van het kind. Het is daarbij onmogelijk om met volledige zekerheid vast te stellen dat brondocumenten bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Op de zitting bij de Afdeling hebben [appellanten] in dit verband nog nader aangevoerd dat zij met het aanleveren van de documenten alles hebben gedaan wat zij konden. Bij twijfel over de echtheid van brondocumenten ligt het daarom op de weg van de minister om tegenbewijs te leveren.
"1. De in artikel 26 bedoeldePro autoriteit verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.
2. De aanvrager kan worden verzocht in verband met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de nodige bewijsstukken over te leggen.
(…)"
3.2. Artikel 2.1 van het Paspoortbesluit luidt:
"1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap dan wel zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens of van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten.
2. Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken."
3.3. Artikel 52, eerste lid, van de Pub 2001 luidt:
"Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.1 tot en met 2.17 van het besluit en de artikelen 11 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen."
3.4. Iedere Nederlander heeft op grond van artikel 9 vanPro de Paspoortwet recht op een nationaal paspoort. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Dit is ook opgenomen in datzelfde artikel van de Paspoortwet. Uit artikel 28 vanPro de Paspoortwet gelezen in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat de bewijslast om de nodige zekerheid te verschaffen over het gestelde Nederlanderschap bij de aanvrager berust (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2344). Het Bureau Documenten heeft in de Verklaring van Onderzoek van 13 juni 2022 geconcludeerd dat de overgelegde Somalische geboorteakte en identiteitsbevestiging waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. [appellanten] hebben geen eigen deskundigenadvies dat het tegendeel bewijst, overgelegd. Verder overweegt de Afdeling dat uit artikel 28 vanPro de Paspoortwet, gelezen in samenhang met artikel 2.1 van het Paspoortbesluit, volgt dat in het kader van de beoordeling van het Nederlanderschap niet is vereist dat met volledige zekerheid kan worden vastgesteld dat de overgelegde brondocumenten door de bevoegde autoriteiten zijn opgemaakt en afgegeven. De beoordeling verlangt slechts dat de minister zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager verschaft. De stelling van [appellanten] dat het onmogelijk is om met volledige zekerheid vast te stellen dat brondocumenten bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, kan hen dus niet baten. Over het overgelegde DNA-onderzoek heeft de minister op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat DNA alleen de biologische afstammingsrelatie vaststelt en niet de identiteit, bijvoorbeeld naam of geboortedatum, van het kind. DNA-onderzoek kan daarom pas relevant zijn als het Bureau Documenten de overgelegde brondocumenten positief heeft bevonden. Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag buiten behandeling mocht laten, omdat de minister met de door [appellanten] overgelegde documenten niet de nodige zekerheid heeft verkregen over de identiteit en nationaliteit van hun kind.
3.5. Het betoog slaagt niet.
4. Tot slot overweegt de Afdeling dat de gronden die gaan over de echtscheidingsakte van [appellant A] onderdeel uitmaken van een door de rechtbank ten overvloede gegeven overweging. Dit betekent dat deze rechtsoverweging voor het oordeel van de rechtbank niet dragend is. Deze gronden kunnen dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep en een vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Wat [appellanten] over de door de rechtbank ten overvloede gegeven overweging hebben aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.