BRS.25.001898
Datum uitspraak: 12 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 november 2025 in zaak nr. NL25.50952 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in de eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat zijn recht op consulaire bijstand niet is geschonden. Hierover voert appellant namelijk terecht aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen gebruik wenst te maken van zijn recht op consulaire bijstand. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat appellant wel gebruik wilde maken van consulaire bijstand. Anderhalf uur later zou appellant blijkens het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de bewaring hebben verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht op consulaire bijstand. Dat hij dat toen heeft verklaard heeft hij in beroep betwist en de minister heeft op de zitting erkend dat het onduidelijk is of appellant consulaire bijstand wenste. De Afdeling gaat er, mede gelet op het korte tijdsverloop tussen de beide gehoren, van uit dat appellant wél consulaire bijstand wenste, wat betekent dat op de minister de plicht rustte om contact met de consulaire of diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst op te nemen. Aangezien de minister dat niet heeft gedaan is het recht van appellant op consulaire bijstand geschonden.
1.1. Dit gebrek maakt de bewaring pas onrechtmatig als na een belangenafweging blijkt dat de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3666, onder 5. Daarvan is in dit geval geen sprake. Appellant heeft namelijk de gronden voor zijn bewaring niet bestreden en de Afdeling stelt ambtshalve geen gebreken in deze gronden vast. Appellant heeft ook geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die zijn vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Daarbij komt dat appellant ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring medewerking aan terugkeer naar Marokko heeft geweigerd. De over en weer gestelde belangen leiden de Afdeling niet tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is opgelegd. 2. Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het betoog geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De Afdeling ziet ook verder ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskoten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. de Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026
47-1182