ECLI:NL:RVS:2026:1074
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor steiger en ligplaatsen passagiersvaartuigen in Amsterdam
CBD heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een L-vormige steiger en het innemen van ligplaatsen voor twee passagiersvaartuigen aan de Achtergracht in Amsterdam. Het college verleende deze vergunning, ondanks strijdigheid met het bestemmingsplan "Water". Appellant, bewoner van een woonark aan de gracht, stelde beroep in tegen dit besluit uit vrees voor belemmering van de doorvaart.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de aanvraag onder het overgangsrecht van de Wabo valt, omdat deze vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De Afdeling verwierp het betoog van appellant dat het college het besluit niet tijdig had genomen en dat hij niet in de gelegenheid was gesteld te reageren op nieuwe meetresultaten.
Appellant voerde aan dat de doorvaartbreedte onvoldoende was, maar de Afdeling stelde vast dat de door het college gehanteerde metingen en berekeningen, inclusief een lasermeting en een onafhankelijk verslag, een doorvaartruimte van minimaal 10,08 meter aantonen, waarmee wordt voldaan aan het vereiste doorvaartprofiel van 10 meter. Het beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor de steiger en ligplaatsen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.