De minister voor Klimaat en Energie verleende in 2021 subsidies aan een gespecialiseerd bedrijf dat blauwe waterstof produceert en deelneemt aan het Porthos-project. Een derde verzocht op grond van de Wob om openbaarmaking van gegevens over deze subsidies. De minister wees deze verzoeken deels toe, maar maakte niet alle gegevens openbaar. Het bedrijf maakte bezwaar tegen de besluiten, stellende dat openbaarmaking bedrijfsgevoelige informatie betrof en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat de minister geen publicatieplicht had en dat het nominaal vermogen een bedrijfsgegeven is dat niet openbaar gemaakt mag worden vanwege onevenredige benadeling van het bedrijf. Ook andere subsidiegegevens mochten niet openbaar worden gemaakt. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het nominaal vermogen is een bedrijfs- en fabricagegegeven en milieu-informatie die geen betrekking heeft op emissies in het milieu. Openbaarmaking zou de concurrentiepositie van het bedrijf schaden. Ook de overige gegevens mogen niet openbaar worden gemaakt. De Afdeling oordeelt dat de minister in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld, maar vernietigt het besluit niet omdat de rechtbank dit al heeft gedaan. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van openbaarmaking van bedrijfsgevoelige subsidiegegevens en veroordeelt de minister tot proceskostenvergoeding.
Uitspraak
202305461/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister voor Klimaat en Energie, nu: de minister van Klimaat en Groene Groei,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2023 in zaak nr. 22/469 in het geding tussen:
[wederpartij], gevestigd in [plaats],
en
de minister.
Procesverloop
Bij vier afzonderlijke besluiten van 17 september 2021 heeft de minister de vier verzoeken van een derde om openbaarmaking van gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 14 januari 2022 heeft de minister de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6247, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 januari 2022 vernietigd, de vier besluiten van 17 september 2021 herroepen, de vier Wob-verzoeken van 29 juli 2021 afgewezen voor zover het de openbaarmaking betreft van het nominaal vermogen, het fasebedrag, de subsidie-intensiteit, het maximale subsidietarief, de subsidiabele jaarproductie en som over looptijd subsidie, en het maximale subsidiebedrag, en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 december 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J. van Essen en ing. J.B. Agterhuis, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. A.A. Al Khatib, mr. A.M. Zwanenburg, mr. J.J.A. Waverijn, allen advocaat in Amsterdam, en [persoon], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartij] is een gespecialiseerd bedrijf in industriële en medische gassen en de daaraan gekoppelde services. Zij produceert onder meer zogenoemde ‘koolstofarme’ of ‘blauwe’ waterstof. Bij het produceren van waterstof komt CO2 vrij. Een deel van de vrijgekomen CO2 vangt en slaat [wederpartij] op met de Cryocap™ CO2-afvangoplossing. Dit is beter voor het milieu.
[wederpartij] neemt samen met drie andere particuliere bedrijven deel aan het Porthos-project. Dit is een publiek-privaat initiatief van Havenbedrijf Rotterdam, Nederlandse Gasunie en Energie Beheer Nederland, gesteund door de Nederlandse overheid. Met het Porthos-project is beoogd een belangrijke bijdrage te leveren aan het behalen van de CO2-reductiedoelstellingen voor Nederland en de regio Rotterdam. Dit wordt mogelijk gemaakt door de aanleg van een CO2-leiding door het Rotterdamse havengebied die de afgevangen CO2 naar een opslagplaats onder de Noordzee voert, ongeveer 20 kilometer uit de kust.
In het kader van dit project heeft de minister op 16 april 2021 aan [wederpartij] twee Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie subsidies (SDE++-subsidies) verleend in de vorm van een vergoeding per vermeden ton CO2. Het uitgangspunt van de SDE++-subsidies is dat de subsidie het verschil vergoedt tussen de kostprijs van de te verminderen CO2-uitstoot en de (mogelijke) jaarlijkse opbrengsten van de activiteit, welke opbrengsten worden vastgesteld conform de SDE++-regelgeving. De minister heeft in dit project ook aan de drie andere particuliere bedrijven subsidies verleend.
Besluitvorming
2. De minister heeft bij brieven van 29 juli 2021 vier verzoeken om openbaarmaking van gegevens met betrekking tot de vier Porthos-deelnemers ontvangen. In het verzoek van 29 juli 2021 dat betrekking heeft op [wederpartij] wordt op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van ‘het besluit tot verlening van de twee SDE++-subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (Besluit SDEK) dat in 2021 is afgegeven aan [wederpartij] of de aan haar gelieerde rechtspersonen, en de uitvoeringsovereenkomst die [wederpartij] of de aan haar gelieerde rechtspersonen met de Staat der Nederlanden heeft gesloten op grond van artikel 61 vanPro het Besluit SDEK en de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021’.
2.1. De minister heeft bij vier afzonderlijke besluiten van 17 september 2021 de verzoeken om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk toegewezen. De minister heeft het bankrekeningnummer van [wederpartij] en persoonsgegevens van ambtenaren niet openbaar gemaakt. [wederpartij] heeft bezwaar gemaakt tegen deze vier besluiten. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de besluiten van de minister in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn, dat informatie die de minister openbaar wil maken bedrijfs- en fabricagegegevens zijn zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, dat een deel van de informatie al openbaar is, en dat zij onevenredig wordt benadeeld door openbaarmaking van de verzochte informatie. [wederpartij] heeft zich concreet verzet tegen de openbaarmaking van de SDE++-subsidiebesluiten voor zover het gaat om onder meer (i) het nominaal vermogen, (iv) het fasebedrag, (vi) de subsidie-intensiteit, (vii) het maximale subsidietarief, (viii) de subsidiabele jaarproductie en som over looptijd subsidie en (ix) het maximale subsidiebedrag. De minister heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft eerst geoordeeld dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een publicatieplicht heeft op grond waarvan de besluiten openbaar moeten worden gemaakt. Uit de door de minister aangehaalde Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022, punt 58, aanhef en onder a, volgt immers dat kan worden volstaan met bekendmaking van de tekst van de goedgekeurde steunregeling.
Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister niet op toereikende wijze is ingegaan op de bezwaren van [wederpartij] en in zoverre het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het nominaal vermogen moet worden aangemerkt als een bedrijfs- en fabricagegegeven zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Dit gegeven betreft de technische bedrijfsvoering en geeft inzicht in de mate waarin [wederpartij] in staat is te voorzien in de vraag naar blauwe waterstof.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [wederpartij] niet onevenredig wordt benadeeld bij de openbaarmaking van (iv) het fasebedrag, (vi) de subsidie-intensiteit, (vii) het maximale subsidietarief, (viii) de subsidiabele jaarproductie en som over looptijd subsidie en (ix) het maximale subsidiebedrag. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de onderhandelingspositie van [wederpartij] nadelig wordt beïnvloed als deze gegevens openbaar worden gemaakt. Gelet hierop heeft [wederpartij] een geslaagd beroep gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, aldus de rechtbank.
3.1. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 januari 2022 vernietigd omdat de minister in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Ook heeft de rechtbank alle vier besluiten van 17 september 2021 herroepen en alle Wob-verzoeken van 29 juli 2021 afgewezen voor zover het de openbaarmaking betreft van (i) het nominaal vermogen, (iv) het fasebedrag, (vi) de subsidie-intensiteit, (vii) het maximale subsidietarief, (viii) de subsidiabele jaarproductie en som over looptijd subsidie en (ix) het maximale subsidiebedrag. Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Wettelijk kader
4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.
5. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Het besluit op bezwaar dat in deze zaak ter beoordeling staat, is genomen op 14 januari 2022, dus vóór 1 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Wob nog van toepassing is.
Beoordeling van het hoger beroep
6. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 vanPro de Awb kennis genomen van de door de minister vertrouwelijk overgelegde ongelakte stukken, waarvan hij het voornemen heeft die te openbaren.
Publicatieplicht van (ix) het maximale subsidiebedrag
7. De minister betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen publicatieplicht heeft zoals volgt uit de artikelen 104 en 106 van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 en artikel 58, aanhef en onder b, van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022.
8. Daargelaten de vraag of de minister op grond van de Richtsnoeren 2014-2020 en 2022 een publicatieplicht heeft, stelt de Afdeling vast dat op de website van de Europese Commissie de naam van [wederpartij] en de maximale subsidiebedragen van de SDE++-subsidies zijn gepubliceerd. Op de zitting hebben partijen te kennen gegeven dat dit betoog niet meer besproken hoeft te worden. De Afdeling zal er daarom niet over oordelen.
Nominaal vermogen
9. De minister betoogt in de tweede plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het nominaal vermogen een bedrijfs- of fabricagegegeven is zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Hij voert hiertoe aan dat uit het nominaal vermogen niet is op te maken hoe [wederpartij] de productie-installatie in technische zin zal exploiteren, en ook niet hoe [wederpartij] het proces van CO2-afvang en -opslag zal vormgeven. Het nominaal vermogen betreft volgens de minister geen (technische) beschrijving of schema van de productie-installatie, dan wel van het proces van [wederpartij]. Uit het nominaal vermogen is niet op te maken hoeveel waterstof kan worden geproduceerd. Daarnaast voert de minister voor het eerst in hoger beroep aan dat het nominaal vermogen milieu-informatie is die geen betrekking heeft op emissies in het milieu, en dat het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van [wederpartij]. Daarom moet het nominaal vermogen openbaar worden gemaakt, aldus de minister.
10. In artikel 1 vanPro de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 is het nominaal vermogen gedefinieerd als het maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, koolstofdioxide-arme warmte of hernieuwbaar gas en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik, waarbij in het geval van geothermische productie-installaties het nominaal vermogen dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%. Uit het nominaal vermogen kan onder meer de hoeveelheid CO2-afvang en -opslag van de installaties van [wederpartij] bij het Porthos project worden afgeleid en ook de hoeveelheid te produceren blauwe waterstof.
Is het nominaal vermogen een bedrijfs- of fabricagegegeven?
11. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het nominaal vermogen moet worden aangemerkt als bedrijfs- en fabricagegegeven zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Uit dit gegeven kunnen namelijk wetenswaardigheden worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces van [wederpartij]. Het nominaal vermogen is, kort samengevat, de technisch maximale capaciteit van de productie-installatie van [wederpartij] onder nominale condities. Dit gegeven betreft de technische bedrijfsvoering en de rechtbank heeft terecht overwogen dat dit inzicht geeft in de mate waarin [wederpartij] in staat is te voorzien in de vraag naar blauwe waterstof.
Het betoog slaagt op dit punt niet.
Is het nominaal vermogen milieu-informatie die geen betrekking heeft op emissies in het milieu?
12. De minister heeft zich in de besluiten van 17 september 2021 op het standpunt gesteld dat geen sprake is van milieu-informatie. In hoger beroep heeft de minister zich op een ander standpunt gesteld, namelijk dat het nominaal vermogen milieu-informatie is die geen betrekking heeft op emissies in het milieu, en dat het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van [wederpartij]. De Afdeling stelt vast dat de besluiten van 17 september 2021 alleen daarom al niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en dat de minister zodoende in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld zoals opgenomen in artikel 3:2 vanPro de Awb. Wat betreft dit standpunt van de minister, waar [wederpartij] uitgebreid op schrift en uitvoerig op de zitting op heeft gereageerd, oordeelt de Afdeling als volgt.
12.1. De Afdeling is van oordeel dat het nominaal vermogen milieu-informatie is zoals bedoeld in artikel 19.1a, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, die geen betrekking heeft op emissies in het milieu. De definitie van milieu-informatie is opgenomen in artikel 1, aanhef en onder g, van de Wob, in samenhang gelezen met artikel 19.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De grondslag van artikel 19.1a, eerste lid, van de Wet Milieubeheer is het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Dit verdrag is uitgewerkt in twee richtlijnen, te weten Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en Richtlijn 2003/35/EG inzake inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu. Richtlijn 2003/4/EG is de opvolger van Richtlijn 90/313/EEG inzake de vrije toegang tot milieu-informatie. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het begrip milieu-informatie een ruime betekenis heeft. Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 26 juni 2003, Commissie/Frankrijk, ECLI:EU:C:2003:371, punt 44. Uit de arresten van het Hof van 23 november 2016, Bayer CropScience, ECLI:EU:C:2016:890 en Commissie/ACC, ECLI:EU:C:2016:889, volgt dat onder de begrippen "emissies in het milieu" en "informatie over emissies in het milieu" niet alleen gegevens moeten worden begrepen die de daadwerkelijke uitstoot betreffen, maar ook de gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu alsook de gegevens die het publiek in staat stellen te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies door het bestuursorgaan juist is. De begrippen "emissies in het milieu" en "informatie over emissies in het milieu" moeten niet restrictief worden uitgelegd. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1926, onder 8.4. Het Hof heeft deze rechtspraak nogmaals bevestigd in het arrest van 20 maart 2025, Sumitomo, ECLI:EU:C:2025:195, punt 92. In punt 95 van dat arrest overweegt het Hof verder: "Informatie die geen betrekking heeft op de emissies van het betrokken product of de betrokken stof in het milieu, en gegevens over hypothetische emissies, dat wil zeggen emissies die niet daadwerkelijk of voorzienbaar plaatsvinden in omstandigheden die met normaal of realistisch gebruik overeenstemmen, zijn daarentegen uitgesloten."
12.2. In dit geval blijkt uit het nominaal vermogen zoals dat begrip wordt toegepast bij de verlening van SDE++-subsidies onder meer de maximale capaciteit van de productie-installatie van [wederpartij] die onder nominale condities kan worden benut voor de productie van blauwe waterstof en de hoeveelheid CO2-afvang en -opslag. Naar het oordeel van de Afdeling geeft het nominaal vermogen geen informatie over de daadwerkelijke of voorzienbare CO2-uitstoot en ook geen informatie over de invloeden van de daadwerkelijke of voorzienbare CO2-uitstoot op het milieu. Verder stelt openbaarmaking van het nominaal vermogen in de betreffende SDE++-subsidiebesluiten het publiek niet in staat te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare CO2-uitstoot door de minister juist is. Daarom is het nominaal vermogen geen gegeven dat betrekking heeft op emissies in het milieu. Vergelijk hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4422, onder 5.2.
Weegt het belang van [wederpartij] zwaarder dan het belang van openbaarmaking van het nominaal vermogen?
13. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 10, vierde lid, tweede volzin, van de Wob van toepassing is en dat het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van [wederpartij] omdat openbaarmaking de concurrentiepositie van [wederpartij] niet raakt. Zoals de Afdeling heeft overwogen onder 10 en 11 van deze uitspraak, geeft het nominaal vermogen inzicht in de mate waarin [wederpartij] in staat is te voorzien in de vraag naar blauwe waterstof. Hieruit kunnen concurrenten afleiden wat de huidige capaciteit van [wederpartij] is wat betreft CO2-afvang en -opslag en hoeveel blauwe waterstof zij kan produceren voor het Porthos-project. Een concurrent kan met deze informatie bepalen of hij een soortgelijke installatie moet bouwen om [wederpartij] voor te zijn op de markt. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat openbaarmaking van het nominaal vermogen ingevolge artikel 10, vierde lid, tweede volzin, van de Wob achterwege dient te blijven omdat het belang van [wederpartij] in dit geval zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.
Het betoog slaagt in zoverre evenmin.
14. Uit al het voorgaande volgt kort gezegd dat het nominaal vermogen een bedrijfs- en fabricagegegeven is én milieu-informatie is die geen betrekking heeft op emissies in het milieu. Openbaarmaking van het nominaal vermogen moet achterwege blijven omdat het belang van [wederpartij] in dit geval zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.
Onevenredige benadeling zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob bij openbaarmaking van gegevens (iv) en (vi) tot en met (ix)
15. De minister betoogt in de kern dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat openbaarmaking van de hierboven onder 3 genoemde gegevens (iv) en (vi) tot en met (ix) [wederpartij] onevenredig zal benadelen. Zo is uit het (iv) fasebedrag niet op te maken hoe dit tot stand is gekomen of welke afwegingen een subsidieaanvrager hieraan ten grondslag legt. De onderhandelingspositie van [wederpartij] wordt niet beïnvloed door openbaarmaking van het fasebedrag. Dit geldt ook voor (vi) de subsidie-intensiteit en (vii) het maximale subsidietarief. Wat betreft (viii) de subsidiabele jaarproductie en som over looptijd subsidie stelt de minister dat [wederpartij] een vergunning heeft voor een productie-installatie op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Deze vergunning is openbaar gemaakt. Uit deze vergunning is op te maken wat de maximaal vergunde productie voor die productie-installatie is, aldus de minister.
16. Wat de minister en [wederpartij] hierover in de stukken hebben aangevoerd en op de zitting hebben toegelicht geeft de Afdeling geen aanleiding tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.1. tot en met 7.2. opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
17. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat, hoewel de minister in strijd met artikel 3:2 vanPro de Awb heeft gehandeld, de Afdeling het besluit van 14 januari 2022 niet zal vernietigen en de besluiten van 17 september 2021 niet zal herroepen omdat de rechtbank dat al op dezelfde gronden heeft gedaan.
18. Omdat het hoger beroep ongegrond is komt de Afdeling niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [wederpartij].
19. De minister moet de proceskosten van [wederpartij] vergoeden.
20. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb moet griffierecht van de minister worden geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. veroordeelt de minister van Klimaat en Groene Groei tot vergoeding van bij de [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de minister van Klimaat en Groene Groei een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Singh
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
990
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020
3.2.7. Transparantie
(104) De lidstaten moeten zorgen voor de bekendmaking van de volgende informatie op een uitgebreide staats steunwebsite, op nationaal of regionaal niveau: de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of een link daarnaar; de identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten; de identiteit van de individuele begunstigden, de vorm en het bedrag van de steun voor elke begunstigde, de datum waarop de steun is toegekend, het soort onderneming (kmo of grote onderneming), de regio waar de begunstigde onderneming is gevestigd (op NUTS 2-niveau), en de voornaamste economische sector waarin de begunstigde actief is (op NACE-groepsniveau).
[…]
(106) Dit soort informatie moet worden bekendgemaakt nadat de subsidiebeschikking is gegeven, moet ten minste tien jaar worden bewaard en moet zonder beperkingen beschikbaar zijn voor het brede publiek ( 57). lidstaten zullen dit soort informatie pas vanaf 1 juli 2016 moeten verschaffen. Van het vereiste dat informatie moet worden bekendgemaakt, kan ontheffing worden verleend ten aanzien van individuele steunverleningen van minder dan 500 000 EUR
Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022
3.2.1.4. Transparantie
58. Om negatieve effecten te verminderen door ervoor te zorgen dat concurrenten toegang hebben tot relevante informatie over gesteunde activiteiten, moet de betrokken lidstaat ervoor zorgen dat de volgende informatie wordt bekendgemaakt in de Transparency Award Module (47) van de Commissie of op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau:
a. de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of een link daarnaar;
b. informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van deze richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000 EUR bedraagt […].
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Wet openbaarheid van bestuur
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
g. milieu-informatie: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer.
Artikel 10
1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
[…]
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
[…]
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
[…]
4. Het eerste lid, aanhef en onder c […], zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.
Wet milieubeheer
Artikel 19.1a
1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder milieu-informatie: alle informatie, neergelegd in documenten, over:
[…]
b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten;
c. maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, zoals beleidsmaatregelen, wetgeving, plannen, programma’s, milieuakkoorden en activiteiten die op de onder a en b bedoelde elementen en factoren van het milieu een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen;
[…]
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
[…]
nominaal vermogen: maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, koolstofdioxide-arme warmte of hernieuwbaar gas en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik, waarbij in het geval van geothermische productie-installaties het nominaal vermogen dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;