ECLI:NL:RVS:2026:1076

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
202505087/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen bestuursdwang voor verkeerd aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft op 3 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een kartonnen doos te verwijderen die naast een ondergrondse container was aangetroffen. De doos droeg een adreslabel met de naam en het adres van appellant, waardoor het college aannam dat appellant de doos verkeerd had aangeboden in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009.

Appellant voerde aan dat hij ten onrechte als overtreder was aangemerkt en dat het enkel aantreffen van de doos met zijn naam en adres geen sluitend bewijs vormde. Hij stelde dat het college concreet bewijs moest leveren dat hij de doos verkeerd had aangeboden.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat volgens vaste rechtspraak het aantreffen van een poststuk in het afval dat tot een persoon is te herleiden, een bewijsvermoeden oplevert dat die persoon de overtreder is. Dit vermoeden kan alleen worden ontkracht als de betrokkene voldoende twijfel zaait over zijn verantwoordelijkheid. Appellant slaagde hier niet in, omdat hij slechts stelde dat het college concreet bewijs moest leveren, zonder voldoende twijfel te creëren.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en hoeft het college geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden van afval wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202505087/1/R4.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2025 heeft het college zijn beslissing om op 3 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellant] komen.
Bij besluit van 12 september 2025 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Weggemans en mr. S.B.H. Fijneman, is verschenen.
Overwegingen
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 3 juli 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse container ter hoogte van de [locatie] in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
2.       [appellant] betoogt dat hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt en hij om die reden ten onrechte de kosten voor het verwijderen van de aangeboden doos moet betalen. Hij voert aan dat hij geen concreet bewijs heeft ontvangen waaruit blijkt dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden. Verder voert hij aan dat het aantreffen van de doos met zijn naam of adresgegevens erop geen sluitend bewijs oplevert dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden.
2.1.    Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).
Op grond van het bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2.    Door het adreslabel is de doos te herleiden tot [appellant]. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij door wat hij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of hij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de doos.
Anders dan waar [appellant] van uitgaat, hoeft het college niet onomstotelijk te bewijzen dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden. Door alleen te stellen dat het aan het college is om concreet bewijs aan te leveren dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden, heeft [appellant] niet voldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden dat hij de overtreder is, te ontkrachten. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
3.       Het beroep is ongegrond.
4.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Leenen, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Leenen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1142