AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen weigering openbaarmaking documenten over uitbreiding Madurodam
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om openbaarmaking van documenten over de uitbreiding van Madurodam. Het college weigerde deels openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), met verwijzing naar interne beleidsopvattingen en bedrijfsgegevens. De rechtbank vernietigde eerdere besluiten deels omdat het college naliet de presentatie MKBA Madurodam te betrekken.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling dat het college onvoldoende en ondeugdelijk heeft gezocht naar ontbrekende documenten, waaronder verslagen van het projectteam. Ook is het interne karakter van de beraden niet aannemelijk omdat Madurodam als externe derde een eigen belang had. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom documenten niet in geanonimiseerde vorm openbaar kunnen worden gemaakt.
Verder heeft het college nagelaten te onderzoeken of milieu-informatie in de documenten is opgenomen, terwijl dit bijzondere openbaarmakingsregels kent. De Afdeling bevestigt dat de weigering van openbaarmaking van bedrijfsgegevens terecht is. De redelijke termijn is met 37 maanden overschreden, waarvoor een schadevergoeding wordt toegekend.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak en besluiten, en draagt het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen, waaronder onderzoek naar milieu-informatie. Tegen het nieuwe besluit kan alleen bij de Afdeling beroep worden ingesteld.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, eerdere besluiten vernietigd en college opgedragen nieuw besluit te nemen met onderzoek naar milieu-informatie.
Uitspraak
202304610/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2023 in zaken nrs. 21/1018 en 21/8159 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2018 heeft het college het verzoek van [appellant] van 8 juni 2018 om openbaarmaking van gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) deels toegewezen.
Bij besluit van 11 januari 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij besluit van 21 mei 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] van 9 juli 2020 om openbaarmaking van gegevens op grond van de Wob deels toegewezen.
Bij uitspraak van 6 juni 2023 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 11 januari 2021 en 21 mei 2021 ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 11 januari 2021 en 21 mei 2021 vernietigd voor zover het college heeft nagelaten om te beoordelen of de presentatie MKBA Madurodam van 23 mei 2013 openbaar mag worden gemaakt op grond van de Wob, en het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.
Het college heeft geen schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 december 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer, zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dit betekent dat op de besluiten van 11 januari 2021 en 21 mei 2021 de Wob nog van toepassing is.
2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.
Inleiding en besluitvorming
3. [appellant] heeft het college verzocht om openbaarmaking van alle documenten die verband houden met de contacten tussen de gemeente Den Haag en Madurodam in het kader van de besluitvorming over de uitbreiding van Madurodam. Ook heeft hij verzocht om openbaarmaking van de in het Coalitieakkoord 2018-2022 genoemde "juridisch bindende afspraken over de uitbreiding van Madurodam", en alle documenten die daarmee verband houden.
3.1. Bij besluit van 19 december 2018 heeft het college een aantal documenten openbaar gemaakt. Een aantal andere documenten heeft het college geweigerd openbaar te maken. Ten aanzien van die laatste documenten heeft het college zich op het standpunt gesteld dat zij persoonlijke beleidsopvattingen bevatten ten behoeve van intern beraad zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wob. De overige documenten zijn volgens het college al openbaar gemaakt en vallen daarom niet onder de werking van de Wob. [appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3.2. Op 9 juli 2020 heeft [appellant] een nieuw, nader toegelicht verzoek om openbaarmaking van documenten over de uitbreiding van Madurodam over de periode 2015-2020 gedaan. Het college heeft bij besluit van 11 januari 2021 het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2018 gegrond verklaard onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Daarbij heeft het college te kennen gegeven dat het dit advies zal meenemen in zijn nieuwe besluit op het verzoek van [appellant] van 9 juli 2020.
3.3. Bij besluit van 21 mei 2021 heeft het college ‘verzamelbestand 1’ over de periode 2016 tot en met 2017 en ‘verzamelbestand 2’ over de periode 8 juni 2018 tot en met 8 juli 2020 openbaar gemaakt. Daarbij heeft het college passages weggelakt op grond van de artikelen 10, tweede lid, aanhef en onder g, en 11, eerste lid, van de Wob. Ook is openbaarmaking van persoonsgegevens geweigerd. Verder zijn passages van documenten weggelakt omdat het bedrijfs- en fabricagegegevens zijn zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob.
Ook heeft het college ‘verzamelbestand 3’ gedeeltelijk openbaar gemaakt. Passages in deze documenten zijn weggelakt op grond van de artikelen 10, eerste lid, aanhef en onder b en c, en tweede lid, aanhef en onder g, en 11, eerste lid, van de Wob. Ook is openbaarmaking van persoonsgegevens geweigerd.
Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er geen andere juridisch bindende afspraken zijn gevonden. In combinatie met andere mondelinge afspraken met Madurodam in aanloop naar de wijziging van het bestemmingsplan zijn wel bepaalde verwachtingen gewekt die een juridische status hebben en een risico op planschade meebrengen op het moment dat deze worden teruggedraaid, aldus het college.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank acht het niet ongeloofwaardig dat het college bij een nieuwe zoekslag niet meer stukken heeft aangetroffen dan in de verzamelbestanden zijn opgenomen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen documenten met andere juridisch bindende afspraken zijn gevonden. Daarna heeft de rechtbank geoordeeld dat het college openbaarmaking van documenten mocht weigeren op grond van de artikelen 10, tweede lid, aanhef en onder g, en 11, eerste lid, van de Wob omdat dit gaat om passages die zijn bestemd voor intern beraad en die passages persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het college mocht weigeren om de concept business case, die is opgenomen als document 7 in verzamelbestand 3, openbaar te maken op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Het document bevat namelijk bedrijfsgegevens die door Madurodam vertrouwelijk aan het college zijn verstrekt. Daarbij weegt het belang van Madurodam zwaarder dan het algemeen belang bij openbaarmaking. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de presentatie MKBA Madurodam van 23 mei 2013 bij de Wob-verzoeken had moeten betrekken en had moeten beoordelen of openbaarmaking daarvan moet worden geweigerd op grond van de Wob. Omdat het college dit niet heeft gedaan, heeft de rechtbank het beroep van [appellant] gegrond verklaard en de besluiten van 11 januari 2021 en 21 mei 2021 vernietigd voor zover het college heeft nagelaten om te beoordelen of openbaarmaking van de presentatie MKBA Madurodam van 23 mei 2013 moet worden geweigerd op grond van de Wob. Ook heeft de rechtbank het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
5. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 vanPro de Awb kennis genomen van de door het college vertrouwelijk overgelegde ongelakte stukken.
Ontbrekende stukken
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college een aantal documenten niet openbaar heeft gemaakt terwijl dat wel had moeten gebeuren. Het gaat om de verslagen van het projectteam Madurodam van 26 maart, 16 april, 24 september, 15 oktober, 23 oktober en 15 november 2018. Het bestaan van deze verslagen blijkt uit de notulen van andere verslagen die deels openbaar zijn gemaakt. Ook staat in een verslag van oktober 2017 dat er in de eerste helft van 2018 nog veel vergaderingen van het projectteam zullen plaatsvinden, maar er is maar één verslag van 6 mei 2018 openbaar gemaakt. Daarnaast wordt er soms in een e-mail een bijlage genoemd, maar ontbreekt de bijlage zelf. In tegenstelling tot wat het college stelt, is het aannemelijk dat deze verslagen bij het college berusten, aldus [appellant].
7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1296, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de Afdeling niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht.
7.1. Het college heeft over de verrichte zoekslag op de zitting van de Afdeling toegelicht dat de Wob-verzoeken van [appellant] zijn uitgezet naar de betrokken vakafdelingen. De vakafdelingen hebben gezocht naar documenten met de zoektermen ‘verslag’ en/of ‘verslagen’. Uit de zoekslagen kwamen de door [appellant] genoemde verslagen niet naar voren.
7.2. De Afdeling is van oordeel dat het college daarmee niet het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de door [appellant] genoemde documenten te achterhalen. Het college heeft op de zitting van de Afdeling desgevraagd te kennen gegeven dat niet is gezocht op de data die [appellant] heeft genoemd nadat hij het college op deze ontbrekende verslagen heeft gewezen en ook geen navraag heeft gedaan bij de personen die deel uitmaakten van het betreffende projectteam, waaronder de projectleider. Daarom zijn de zoekslagen ondeugdelijk geweest. [appellant] heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem genoemde verslagen onder het college moeten berusten. Dit blijkt uit de door het college wel openbaar gemaakte stukken waarin deze verslagen zijn genoemd. Dit geldt ook voor de andere documenten die [appellant] heeft genoemd. Uit de wel openbaar gemaakte stukken blijkt immers dat Madurodam en het college overleggen hebben gevoerd in de eerste helft van 2018 over het bestemmingsplan. Ook is het opmerkelijk dat verslagen uit 2016 wel zijn gevonden en uit 2018 niet. Gelet hierop is de mededeling van het college dat na onderzoek is gebleken dat de verslagen en andere documenten niet of niet meer bij haar berust, onvoldoende onderbouwd. Het college moet alsnog een deugdelijke zoekslag verrichten.
7.3. Het betoog slaagt.
Onevenredige benadeling, intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de openbaarmaking van documenten integraal mocht weigeren op grond van de artikelen 10, tweede lid, aanhef en onder g, en 11, eerste lid, van de Wob. Hiertoe voert hij aan dat het college niet per onderdeel van de documenten heeft gemotiveerd welke weigeringsgrond van toepassing is. Nergens blijkt uit dat het college per alinea een beoordeling heeft gemaakt. Voor zover dat wel is gedaan, heeft het college niet duidelijk gemaakt hoe Madurodam onevenredig wordt benadeeld bij openbaarmaking van de documenten. Verder voert [appellant] aan dat de stukken toebehoren aan Madurodam, een derde, en daarom niet kunnen worden aangemerkt als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Ook had het college de stukken op zijn minst in geanonimiseerde vorm openbaar kunnen maken, aldus [appellant].
9. Het college heeft op de zitting van de Afdeling toegelicht dat het de openbaarmaking van documenten integraal heeft geweigerd omdat de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen zodanig met de daarin opgenomen feitelijke gegevens zijn verweven dat deze niet zijn te scheiden. Openbaarmaking van de documenten zal volgens het college leiden tot onevenredige benadeling van Madurodam. De Afdeling is van oordeel dat deze algemene toelichting niet voldoet aan de eis dat voldoende kenbaar moet zijn van welke weigeringsgrond voor welk onderdeel van de documenten wordt uitgegaan. Ook heeft het college niet voldoende gemotiveerd hoe Madurodam onevenredig wordt benadeeld bij openbaarmaking van de documenten.
10. Artikel 11, eerste lid, van de Wob bepaalt dat in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Het tweede lid bepaalt dat met het oog op een goede en democratische bestuursvoering over persoonlijke beleidsopvattingen informatie kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Als degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. Bij de toepassing van het tweede lid heeft het bestuursorgaan beoordelingsruimte en moet het een belangenafweging maken.
10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3497, volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 vanPro de Wob (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13) dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Ook documenten die afkomstig zijn van externe derden, kunnen worden aangemerkt als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad indien de documenten met dat oogmerk zijn opgesteld. Het interne karakter van het beraad komt evenwel te vervallen wanneer daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg moet worden toegekend. Aan een beraad ontvalt het interne karakter indien daarbij een externe derde is betrokken die een eigen belang behartigt dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. Hij adviseert in dat geval niet, of niet uitsluitend, in het belang van het bestuursorgaan dat hem om advies vraagt, maar zijn inbreng wordt mede ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. Documenten van externe derden, zoals bedoeld in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 vanPro de Wob, die zijn opgesteld met het oog op intern beraad, kunnen slechts onder intern beraad vallen in het geval dat de externe derde geen ander belang heeft dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid.
10.2. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het interne karakter van de beraden waar de documenten op zien daaraan is ontvallen omdat Madurodam als een externe derde bij de beraden betrokken is geweest. Madurodam behartigde bij de beraden een eigen belang en deelde niet het belang van het college. Ook is de Afdeling van oordeel dat het college in het geheel niet heeft onderbouwd waarom het de documenten niet in niet tot personen herleidbare vorm kan verstrekken.
11. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1497, moet een bestuursorgaan per zelfstandig onderdeel van een document voor intern beraad met informatie over een bepaalde bestuurlijke aangelegenheid, zoals alinea’s, bezien of dit zelfstandig onderdeel persoonlijke beleidsopvattingen bevat en, wanneer in de opvattingen informatie van feitelijke aard is opgenomen, of de persoonlijke beleidsopvattingen zodanig met deze feitelijke gegevens zijn verweven dat deze niet zijn te scheiden. In geval van verwevenheid mag in beginsel het betrokken onderdeel van het document worden geweigerd op grond van artikel 11 vanPro de Wob. Een bestuursorgaan hoeft niet binnen een zelfstandig onderdeel van een document per zin of zinsdeel te bepalen of verwevenheid een weigering kan rechtvaardigen.
11.1. De Afdeling is van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het per zelfstandig onderdeel van een document heeft bezien of dit zelfstandig onderdeel persoonlijke beleidsopvattingen bevat, en niet gemotiveerd hoe de persoonlijke beleidsopvattingen met de feitelijke gegevens zijn verweven dat deze niet zijn te scheiden.
12. Gelet op al het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de openbaarmaking van deze documenten integraal mocht weigeren.
12.1. Het betoog slaagt.
Milieu-informatie
13. [appellant] betoogt in hoger beroep verder dat het college heeft miskend dat nagenoeg alle informatie over de uitbreiding van Madurodam die is uitgewisseld tussen Madurodam en het college milieu-informatie is. Deze milieu-informatie moet op grond van de Wob openbaar worden gemaakt, aldus [appellant].
13.1. Op de zitting van de Afdeling heeft het college onderkend dat het bij de beoordeling van de verzoeken van [appellant] niet heeft onderzocht of in de documenten milieu-informatie is opgenomen. De Afdeling is van oordeel dat het college ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of in dit geval sprake is van milieu-informatie. Ten aanzien van milieu-informatie zijn immers bijzondere openbaarmakingsregelingen in de Wob opgenomen.
13.2. Het betoog slaagt.
Bedrijfs- en fabricagegegevens
14. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de openbaarmaking van de concept business case, die is opgenomen als document 7 in verzamelbestand 3, mocht weigeren op grond van de artikelen 10, eerste lid, aanhef en onder c, en 11, eerste lid, van de Wob. Onder deze weigeringsgrond heeft het college geweigerd om een notitie met de titel "De Toekomst van Madurodam" uit juni 2015 openbaar te maken. Volgens [appellant] zouden hier geen bedrijfs- en fabricagegegevens in voorkomen. Dat in elke alinea van dit stuk verwezen zou zijn naar de economische bedrijfsgegevens van Madurodam is volgens [appellant] zeer ongeloofwaardig. Daarnaast is de algemene financiële positie van Madurodam feitelijk al openbaar, zoals te zien is in de bij de Kamer van Koophandel te verkrijgen gegevens. Het college zou de documenten openbaar kunnen maken en daarbij de bedragen kunnen weglakken. Dit heeft zij ten onrechte niet gedaan, aldus [appellant].
14.1. Wat [appellant] heeft aangevoerd geeft de Afdeling geen aanleiding tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en in de onder 11.5. opgenomen overweging waarop dat oordeel is gebaseerd.
14.2. Het betoog slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
15. [appellant] heeft zich op de zitting tenslotte beklaagd over de structurele termijnoverschrijdingen in deze zaak. Sinds zijn eerste verzoek zijn inmiddels meer dan zeven jaar verstreken, aldus [appellant]. Hij maakt aanspraak op schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure(s).
16. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
16.1. Het college heeft het eerste bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 12 januari 2019. De redelijke termijn is, gerekend vanaf dat moment tot 25 februari 2026 in deze procedure dus met 37 maanden overschreden. Deze overschrijding moet deels aan het college, deels aan de rechtbank en deels aan de Afdeling worden toegerekend.
16.2. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 3.500,00, waarvan 19/37 deel te betalen door het college, 11/37 te betalen door de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), en 7/37 deel te betalen door de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
Slotsom
17. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank de besluiten van 11 januari 2021 en 21 mei 2021 gedeeltelijk heeft vernietigd, en voor zover de rechtbank heeft bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit moet nemen. De gegrondverklaring van de door [appellant] tegen de besluiten van 11 januari 2021 en 21 mei 2021 ingestelde beroepen blijft in stand. De Afdeling zal de besluiten van 11 januari 2021 en 21 mei 2021 vernietigen en zal het college opdragen om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen.
17.1. Het college zal in het nieuwe besluit in ieder geval moeten ingaan op de vraag of in de documenten milieu-informatie is opgenomen. Dit geldt ook voor de concept business case die is opgenomen als document 7 in verzamelbestand 3. Op het nieuwe besluit van het college zal de Woo van toepassing zijn. Het college zal daarbij onder meer artikel 5.3. van de Woo in acht moeten nemen.
17.2. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2023 in zaken nrs. 21/1018 en 21/8159, voor zover de rechtbank de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 11 januari 2021, kenmerk B.3.19.0296.001, en 21 mei 2021, kenmerk BEC/Wob2020-105272, gedeeltelijk heeft vernietigd, en voor zover de rechtbank heeft bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit moet nemen;
III. vernietigt de besluiten van 11 januari 2021 en 21 mei 2021;
IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 1.797,30;
VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 1.040,54;
VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 662,16;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Singh
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
990
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet openbaarheid van bestuur
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
b. bestuurlijke aangelegenheid verstaan: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan;
c. intern beraad: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid;
[…]
f. persoonlijke beleidsopvatting: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van één of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten;
[…]
Artikel 10
1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: […]
b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
[…]
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
[…]
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. […]
Artikel 11
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
2. Over persoonlijke beleidsopvattingen kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.