Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1127

Raad van State

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
202406523/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000Art. 4 Mandaatbesluit IND 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel ondanks ontbreken ondertekening besluit

Appellant verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 2 juni 2023 werd afgewezen met de opdracht Nederland onmiddellijk te verlaten. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

Een belangrijk geschilpunt was het ontbreken van een handtekening onder het besluit van 2 juni 2023. Appellant verwees naar eerdere jurisprudentie waarin het ontbreken van een handtekening onder een terugkeerbesluit als een gebrek werd gezien. De Afdeling oordeelde echter dat het asielbesluit een meeromvattend besluit is dat digitaal wordt goedgekeurd en automatisch wordt verstuurd, waardoor ondertekening niet vereist is.

De Afdeling stelde vast dat de naam van de bevoegde ambtenaar onder het besluit vermeld staat en dat deze ambtenaar bevoegd is op grond van het Mandaatbesluit IND. Hierdoor is het besluit voldoende controleerbaar en toetsbaar. De overige grieven van appellant werden niet nader gemotiveerd omdat zij geen belang hebben voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202406523/1/V3.
Datum uitspraak: 2 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2024 in zaak nr. NL23.16914 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten.
Bij uitspraak van 17 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       Het besluit van 2 juni 2023 is niet ondertekend. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit geen gebrek in het besluit oplevert. Appellant komt in zijn aanvullende grief op tegen dit oordeel. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van 6 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4082, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat er een gebrek kleefde aan het separate terugkeerbesluit dat in die zaak aan de orde was, omdat het niet was ondertekend. Appellant werpt de vraag op of er ook een gebrek kleeft aan een meeromvattende asielbeschikking die een terugkeerbesluit bevat, zoals het besluit van 2 juni 2023, als die niet is ondertekend.
1.1.    Om tot haar oordeel te komen in de genoemde uitspraak van 6 november 2023, heeft de Afdeling eerst overwogen dat de ondertekening geen wettelijk vereiste is voor een terugkeerbesluit en dat het ontbreken van een ondertekening niet betekent dat daardoor aan dat besluit het besluitkarakter moet worden ontzegd. Vervolgens heeft zij overwogen dat een terugkeerbesluit wel kenbaar en toetsbaar moet zijn en dat de desbetreffende vreemdeling niet kon controleren of het separate terugkeerbesluit dat in die zaak aan de orde was door een bevoegd persoon was genomen, omdat het niet was ondertekend. Daarom leverde het ontbreken van een ondertekening in dat geval een gebrek op. Uit die uitspraak volgt dus dat de ondertekening van belang kan zijn voor de controleerbaarheid van een besluit. Anders dan de rechtbank mogelijk uit de uitspraak van 6 november 2023 heeft afgeleid, is de aard van het mandaat daarbij niet van belang.
1.2.    In de uitspraak van 6 november 2023 ging het om een vreemdeling die was staandegehouden en voor wie de minister vervolgens een separaat terugkeerbesluit nam. In paragraaf A2/2.1 van de Vc 2000 staat dat het modelformulier M107-A in zo’n geval wordt gebruikt voor het terugkeerbesluit. De ambtenaar die het besluit neemt, vult dat in en reikt het besluit onmiddellijk uit. In het modelformulier is een ruimte opgenomen die niet alleen is bestemd voor de naam en functie maar ook voor de handtekening van de ambtenaar die het terugkeerbesluit namens de minister neemt. De minister gaat er dus beleidsmatig van uit dat een dergelijk terugkeerbesluit moet worden ondertekend. Op die manier is kenbaar wie het besluit heeft genomen en is vervolgens, aan de hand van een mandaatregeling, toetsbaar of het door een bevoegd persoon is genomen.
1.3.    In deze zaak is het besluit van 2 juni 2023 aan de orde. Dit besluit is een meeromvattende asielbeschikking die een terugkeerbesluit bevat. Zo’n besluit komt op een andere manier tot stand. Een dergelijk besluit wordt door daartoe geautoriseerde ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) opgesteld en goedgekeurd in de digitale systemen van de IND. Vervolgens wordt het besluit automatisch verstuurd. Dit betekent dat het besluit niet wordt ondertekend.
1.4.    Onderaan het besluit van 2 juni 2023 staat de naam van de ambtenaar die het besluit heeft genomen. De minister heeft een screenshot overgelegd van het verwerkingssysteem "Indigo" van de IND, waaruit blijkt dat deze ambtenaar binnen dat systeem het besluit definitief heeft gemaakt en dat deze ambtenaar werkzaam is bij de directie Asiel & Bescherming, locatie Zevenaar, team 1. Uit artikel 4, gelezen samen met bijlage 1, van het Mandaatbesluit IND Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022 volgt dat de bij dit team werkzame ambtenaren bevoegd zijn om besluiten te nemen op grond van de Vw 2000. Gelet hierop betoogt de minister in haar schriftelijke uiteenzetting terecht dat het voldoende controleerbaar is dat het besluit van 2 juni 2023 door een bevoegd persoon is genomen, net als een separaat terugkeerbesluit waarvan het gebruikte formulier volledig is ingevuld, inclusief de ondertekening.
1.5.    Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het ontbreken van een ondertekening geen gebrek oplevert in het besluit van 2 juni 2023. De grief slaagt niet.
2.       Wat appellant in de overige grieven aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026
18-1020