ECLI:NL:RVS:2026:1192

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
202404239/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WhtArt. 9.1 WhtArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit tegemoetkoming kindregeling toeslagenaffaire ondanks beroep op evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel

De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van de Dienst Toeslagen om haar een tegemoetkoming van €10.000 toe te kennen op grond van de kindregeling in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Deze regeling voorziet in een forfaitaire tegemoetkoming voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire, waarbij de hoogte afhankelijk is van de leeftijd op 1 juli 2023. Appellant was toen ouder dan achttien jaar en kreeg daarom het genoemde bedrag toegekend.

Appellant voerde aan dat de toegewezen tegemoetkoming niet recht doet aan haar persoonlijke leed en dat de regeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Tevens stelde zij dat de hardheidsclausule in de Wht niet op haar situatie van toepassing is, wat leidt tot ongelijke en onrechtvaardige uitkomsten. Ook werd betoogd dat het persoonlijk dossier van haar ouders verstrekt had moeten worden, hoewel hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar eerdere uitspraken waarin dezelfde gronden zijn behandeld en concludeert dat deze argumenten geen aanleiding geven tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van een tegemoetkoming van €10.000 wordt bevestigd.

Uitspraak

202404239/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2024 in zaak nr. 23/4118 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend.
Bij besluit van 3 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
Met toestemming van partijen is een onderzoek op een zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       In de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire (de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [appellante] was toen ouder dan achttien jaar. De Dienst Toeslagen heeft aan haar daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroep
2.       [appellante] betoogt dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht - waaruit de hoogte van de tegemoetkoming volgt - en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht - waarin een hardheidsclausule is opgenomen - wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in haar geval buiten toepassing zouden moeten worden gelaten. Met het toekennen van het forfaitaire bedrag van € 10.000,00 wordt namelijk geen recht gedaan aan het leed dat zij heeft ondergaan. Ook sluit haar situatie niet aan bij die van de kinderen die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de kindregeling. Verder biedt de route voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade geen toereikende oplossing, omdat daarbij ook alleen een forfaitair bedrag wordt toegekend. Bovendien hebben zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden voorgedaan die niet in de kindregeling zijn verdisconteerd. Verder leidt volgens [appellante] de beslissing van de wetgever om de hardheidsclausule niet van toepassing te laten zijn op artikel 2.12 van de Wht tot ongelijke behandeling en onrechtvaardige uitkomsten. [appellante] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen het persoonlijk dossier van haar ouders had moeten verstrekken. Er is weliswaar geen wettelijke grondslag voor het verstrekken van het persoonlijk dossier, maar de staatssecretaris van Financiën -Toeslagen en Douane heeft toegezegd dat dit dossier op verzoek beschikbaar gesteld zal worden.
2.1.    De gronden die [appellante] aanvoert zijn identiek aan de gronden die haar gemachtigde heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 9.3 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
284-1160