ECLI:NL:RVS:2026:1193

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
202404281/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WhtArt. 9.1 WhtArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen tegemoetkoming kindregeling toeslagenaffaire

De appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin hem een tegemoetkoming van €6.000 is toegekend op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), specifiek de kindregeling voor kinderen van gedupeerde ouders. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023, waarbij appellant toen veertien jaar was.

De Dienst Toeslagen heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd en de rechtbank Rotterdam heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Appellant voerde aan dat de toegewezen forfaitaire tegemoetkoming geen recht doet aan het door hem geleden leed en dat de hardheidsclausule in de Wht niet op zijn situatie werd toegepast, wat volgens hem leidt tot ongelijke en onrechtvaardige behandeling.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft deze argumenten onderzocht en verwezen naar eerdere uitspraken waarin soortgelijke gronden zijn gemotiveerd afgewezen. De Afdeling concludeert dat er geen reden is om in dit geval anders te oordelen en bevestigt het vonnis van de rechtbank. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant tegen de toegekende tegemoetkoming van €6.000 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202404281/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2024 in zaak nr. 23/6663 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] een tegemoetkoming van € 6.000,00 toegekend.
Bij besluit van 28 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
Met toestemming van partijen is een onderzoek op een zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       In de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire (de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [appellant] was toen veertien jaar oud. De Dienst Toeslagen heeft aan hem daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wht een tegemoetkoming van € 6.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroep
2.       [appellant] betoogt dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wht - waaruit de hoogte van de tegemoetkoming volgt - en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht - waarin een hardheidsclausule is opgenomen - wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in zijn geval buiten toepassing zouden moeten worden gelaten. Met het toekennen van het forfaitaire bedrag van € 6.000,00 wordt namelijk geen recht gedaan aan het leed dat hij heeft ondergaan. Ook sluit zijn situatie niet aan bij die van de kinderen die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de kindregeling. Verder biedt de route voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade geen toereikende oplossing, omdat daarbij ook alleen een forfaitair bedrag wordt toegekend. Bovendien hebben zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden voorgedaan die niet in de kindregeling zijn verdisconteerd. Verder leidt volgens [appellant] de beslissing van de wetgever om de hardheidsclausule niet van toepassing te laten zijn op artikel 2.12 van de Wht tot ongelijke behandeling en onrechtvaardige uitkomsten. [appellant] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen het persoonlijk dossier van zijn ouders had moeten verstrekken. Er is weliswaar geen wettelijke grondslag voor het verstrekken van het persoonlijk dossier, maar de staatssecretaris van Financiën -Toeslagen en Douane heeft toegezegd dat dit dossier op verzoek beschikbaar gesteld zal worden.
2.1.    De gronden die [appellant] aanvoert zijn identiek aan de gronden die zijn gemachtigde heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 9.3 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellant] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
284-1160