AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen tegemoetkoming kindregeling toeslagenaffaire
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de beslissing van de Dienst Toeslagen om een tegemoetkoming van €10.000 toe te kennen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), specifiek de kindregeling voor kinderen van gedupeerde ouders. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023; appellant was toen ouder dan achttien jaar.
De appellant betoogde dat de wettelijke regeling, waaronder artikel 2.12 van de Wht en de hardheidsclausule in artikel 9.1, in haar geval niet van toepassing zouden moeten zijn vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Zij stelde dat het forfaitaire bedrag geen recht doet aan het door haar geleden leed en dat de wetgever met uitsluiting van de hardheidsclausule ongelijke en onrechtvaardige uitkomsten veroorzaakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwees naar eerdere uitspraken waarin dezelfde gronden waren behandeld en gemotiveerd verworpen. De Afdeling oordeelde dat de aangevoerde bezwaren onvoldoende zijn om af te wijken van de eerdere rechtspraak en bevestigde het vonnis van de rechtbank dat het hoger beroep ongegrond is. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd, waarmee de toegekende tegemoetkoming van €10.000 rechtmatig is.
Uitspraak
202500124/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats] (België),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 20 november 2024 in zaak nr. 24/533 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend.
Bij besluit van 12 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. In de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire (de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [appellante] was toen ouder dan achttien jaar. De Dienst Toeslagen heeft aan haar daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroep
2. [appellante] betoogt dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht - waaruit de hoogte van de tegemoetkoming volgt - en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht - waarin een hardheidsclausule is opgenomen - wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in haar geval buiten toepassing zouden moeten worden gelaten. Met het toekennen van het forfaitaire bedrag van € 10.000,00 wordt namelijk geen recht gedaan aan het leed dat zij heeft ondergaan. Bovendien hebben zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden voorgedaan die niet in de kindregeling zijn verdisconteerd. Verder leidt volgens [appellante] de beslissing van de wetgever om de hardheidsclausule niet van toepassing te laten zijn op artikel 2.12 van de Wht tot ongelijke behandeling en onrechtvaardige uitkomsten.
2.1. De gronden die [appellante] aanvoert zijn identiek aan de gronden die haar gemachtigde heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 8.2 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.