AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging overdrachtsbesluit aan Slovenië wegens schending hoorplicht
De minister van Asiel en Migratie nam op 6 augustus 2024 een besluit tot overdracht van appellant aan Slovenië. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de minister appellant had moeten horen voordat zij het zelfstandige overdrachtsbesluit nam, omdat dit vereist is op grond van artikel 4 vanPro het EU Handvest. Dit is niet gebeurd, waardoor het besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De Afdeling vernietigt daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Desondanks laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat appellant inmiddels op 20 december 2024 aan Slovenië is overgedragen en het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog geldt. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het overdrachtsbesluit aan Slovenië wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
202406347/1/V3.
Datum uitspraak: 12 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 oktober 2024 in zaak nr. NL24.31390 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 augustus 2024 heeft de minister bepaald dat zij appellant overdraagt aan Slovenië.
Bij uitspraak van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Drenth, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister hem niet had hoeven horen voordat zij op 6 augustus 2024 een zelfstandig overdrachtsbesluit nam. Zoals de Afdeling kort na de uitspraak van de rechtbank heeft geoordeeld, moet de minister ook bij zelfstandige overdrachtsbesluiten beoordelen of de overdracht niet in strijd is met artikel 4 vanPro het EU Handvest. De minister had appellant daarom tijdens de besluitvormingsprocedure in de gelegenheid moeten stellen om zijn bezwaren daarover kenbaar te maken. Dat heeft de minister niet gedaan. De Afdeling wijst op haar uitspraken van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, en 29 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4919, en merkt daarbij op dat de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met deze uitspraken.
1.1. De grief slaagt al daarom.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 6 augustus 2024. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk toch blijft gelden. Daarover overweegt de Afdeling het volgende.
3. De minister heeft appellant op 20 december 2024 overgedragen aan Slovenië. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1106, bevestigd dat de minister voor Slovenië nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Appellant heeft in beroep en hoger beroep niet toegelicht waarom dat ten tijde van zijn overdracht anders was.
4. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 oktober 2024 in zaak nr. NL24.31390;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 6 augustus 2024, V-[…];
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
VI. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.