ECLI:NL:RVS:2024:4919
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke uitspraak over overdracht vreemdeling aan Duitsland en schending verdedigingsbeginsel
De zaak betreft een vreemdeling uit Algerije die na een asielverzoek in Duitsland naar Nederland reisde. De minister van Asiel en Migratie besloot tot overdracht van de vreemdeling aan Duitsland op 12 oktober 2021. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de minister het verdedigingsbeginsel schond door de vreemdeling niet voldoende gelegenheid te geven zijn bezwaren kenbaar te maken, mede gelet op een concreet zelfdodingsrisico.
De minister stelde in hoger beroep dat de vreemdeling was geïnformeerd en dat geen beoordeling van schending van artikel 4 EU Pro Handvest nodig was bij een zelfstandig overdrachtsbesluit. De Afdeling oordeelde dat het verdedigingsbeginsel integraal deel uitmaakt van het Unierecht en dat de minister verplicht is de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn standpunten te uiten, inclusief bezwaren op grond van artikel 4 EU Pro Handvest.
De Afdeling benadrukte dat de minister niet mag volstaan met verwijzing naar asielprocedures en dat objectieve gegevens over de gezondheidstoestand van de vreemdeling moeten worden betrokken. Het vertrekgesprek was onvoldoende om het verdedigingsbeginsel te waarborgen. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd, met een proceskostenvergoeding aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en het overdrachtsbesluit vernietigd wegens schending van het verdedigingsbeginsel.