AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen vaststelling tegemoetkoming kind toeslagenaffaire
Bij besluit van 14 juni 2023 kende de Dienst Toeslagen aan het minderjarige kind van appellante een tegemoetkoming van € 2.000 toe op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Appellante maakte bezwaar tegen de hoogte van deze tegemoetkoming, waarna de Dienst Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond.
Appellante stelde in hoger beroep dat de wettelijke regeling, met name artikel 2.12 en de hardheidsclausule in artikel 9.1 van de Wht, in haar situatie niet passend is en in strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel. Zij voerde aan dat de forfaitaire tegemoetkoming geen recht doet aan het geleden leed en dat haar situatie afwijkt van de kinderen die bij de regeling betrokken waren. Ook stelde zij dat het persoonlijk dossier verstrekt had moeten worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de aangevoerde gronden reeds in eerdere vergelijkbare zaken zijn behandeld en geen aanleiding geven tot een ander oordeel. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd bepaald dat de Dienst Toeslagen geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de forfaitaire tegemoetkoming van € 2.000 wordt bevestigd.
Uitspraak
202502264/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats], als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarig kind [kind],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 maart 2025 in zaak nr. 23/7739 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [kind] een tegemoetkoming van € 2.000,00 toegekend.
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. In de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire (de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [kind] was toen vijf jaar oud. De Dienst Toeslagen heeft aan haar daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht een tegemoetkoming van € 2.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroep
2. [appellante] betoogt dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht - waaruit de hoogte van de tegemoetkoming volgt - en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht - waarin een hardheidsclausule is opgenomen - wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in het geval van Jcelisha-Diamond buiten toepassing zouden moeten worden gelaten. Met het toekennen van het forfaitaire bedrag van € 2.000,00 wordt namelijk geen recht gedaan aan het leed dat zij heeft ondergaan. Ook sluit haar situatie niet aan bij die van de kinderen die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de kindregeling. Verder biedt de route voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade geen toereikende oplossing, omdat daarbij ook alleen een forfaitair bedrag wordt toegekend. Bovendien hebben zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden voorgedaan die niet in de kindregeling zijn verdisconteerd. Verder leidt volgens [appellante] de beslissing van de wetgever om de hardheidsclausule niet van toepassing te laten zijn op artikel 2.12 van de Wht tot ongelijke behandeling en onrechtvaardige uitkomsten. [appellante] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen het persoonlijk dossier had moeten verstrekken. Er is weliswaar geen wettelijke grondslag voor het verstrekken van het persoonlijk dossier, maar de staatssecretaris van Financiën -Toeslagen en Douane heeft toegezegd dat dit dossier op verzoek beschikbaar gesteld zal worden.
2.1. De gronden die [appellante] aanvoert zijn identiek aan de gronden die haar gemachtigde heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 9.3 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.