Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1210

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
202500943/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WhtArt. 9.1 WhtArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit tegemoetkoming kindregeling toeslagenaffaire ondanks beroep op evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel

De zaak betreft het hoger beroep van twee appellanten tegen besluiten van de Dienst Toeslagen waarin zij een tegemoetkoming van € 10.000,00 ontvingen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), specifiek de kindregeling voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd op 1 juli 2023; appellanten waren toen ouder dan achttien jaar en ontvingen daarom het forfaitaire bedrag.

Appellanten stelden dat de wettelijke bepalingen die de hoogte van de tegemoetkoming bepalen en de hardheidsclausule uitsluiten, in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Zij voerden aan dat het forfaitaire bedrag geen recht doet aan het door hen geleden leed en dat zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden hebben voorgedaan die niet zijn meegenomen.

De Raad van State verwijst naar eerdere uitspraken waarin deze gronden reeds zijn behandeld en gemotiveerd verworpen. De Afdeling ziet geen reden om in deze zaak anders te oordelen en verklaart de hoger beroepen ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot toekenning van een forfaitaire tegemoetkoming van € 10.000,00 en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202500943/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
I.        [appellant sub I], wonend in [woonplaats],
II.       [appellant sub II], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 15 januari 2025 in zaak nrs. 23/3475 en 23/3476 in het geding tussen:
I.        [appellant sub I],
II.       [appellant sub II],
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant sub I] een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend.
Bij besluit van 25 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant sub II] een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend.
Bij afzonderlijke besluiten van 31 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2025 heeft de rechtbank de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub I] en [appellant sub II] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub I] en [appellant sub II] hebben een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       In de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire (de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [appellant sub I] en [appellant sub II] waren toen ouder dan achttien jaar. De Dienst Toeslagen heeft aan hen daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft deze besluiten in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroepen
2.       [appellant sub I] en [appellant sub II] betogen dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht - waaruit de hoogte van de tegemoetkoming volgt - en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht - waarin een hardheidsclausule is opgenomen - wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in hun geval buiten toepassing zouden moeten worden gelaten. Met het toekennen van het forfaitaire bedrag van € 10.000,00 wordt namelijk geen recht gedaan aan het leed dat zij hebben ondergaan. Bovendien hebben zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden voorgedaan die niet in de kindregeling zijn verdisconteerd. Verder leidt volgens [appellant sub I] en [appellant sub II] de beslissing van de wetgever om de hardheidsclausule niet van toepassing te laten zijn op artikel 2.12 van de Wht tot ongelijke behandeling en onrechtvaardige uitkomsten.
2.1.    De gronden die [appellant sub I] en [appellant sub II] aanvoeren zijn identiek aan de gronden die hun gemachtigde heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 8.2 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellant sub I] en [appellant sub II] aanvoeren, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
3.       De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
284-1160