ECLI:NL:RVS:2026:1214

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
202400172/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10, tweede lid, aanhef en onder e, WobAlgemene wet bestuursrecht artikel 8:29, vijfde lidAlgemene pensioenwet politieke ambtsdragers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering openbaarmaking wachtgeldgegevens oud-wethouders gemeente Epe

DPG Media verzocht het college van burgemeester en wethouders van Epe om openbaarmaking van informatie over de hoogte van wachtgelduitkeringen per oud-wethouder over de periode 2011-2021 en documenten over het vertrek van wethouder M.P. Wiersinga. Het college verstrekte een geanonimiseerd overzicht en deels geanonimiseerde documenten, waarbij persoonsgegevens en financiële details onleesbaar werden gemaakt.

De rechtbank verklaarde het beroep van DPG Media ongegrond, omdat het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. DPG Media stelde dat er meer documenten onder het college berusten en dat de zoekslag onvoldoende was, onder meer vanwege mogelijke WhatsAppberichten en een bijeenkomst op 16 juli 2021.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat DPG Media onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten zijn dan reeds verstrekt. De zoekslagen naar WhatsAppberichten en documenten over de bijeenkomst zijn adequaat gebleken. De Afdeling bevestigt dat het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van oud-wethouders zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking van individuele wachtgeldbedragen, mede vanwege het risico op 'naming and shaming' en de reeds bestaande waarborgen tegen misbruik van de wachtgeldregeling.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; weigering tot openbaarmaking van per oud-wethouder gespecificeerde wachtgeldbedragen bevestigd.

Uitspraak

202400172/1/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
DPG Media B.V. handelend onder de naam de Stentor, gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 november 2023 in zaak nr. 22/2537 in het geding tussen:
DPG Media
en
het college van burgemeester en wethouders van Epe.
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft het college besloten om het verzoek van DPG Media om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk in te willigen.
Bij besluit van 7 april 2022 heeft het college het door DPG Media daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten alsnog een document gedeeltelijk openbaar te maken.
Bij uitspraak van 27 november 2023 heeft de rechtbank het door DPG Media daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft DPG Media hoger beroep ingesteld.
Partijen X en Y hebben verzocht om anoniem aan deze procedure deel te nemen. Bij beslissing van 7 maart 2024 in zaak nr. 202400172/2/3 heeft de geheimhoudingskamer van de Afdeling dit verzoek toegewezen.
Partij Y heeft - naar hij stelt - voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college, partij Y en partij X hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Partij X heeft een zienswijze ingediend.
Het college, [belanghebbende], partij Y, partij X en DPG Media hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
[belanghebbende] is gedurende de procedure overleden. De erfgenamen hebben zijn deelname aan deze procedure niet overgenomen.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 24 september 2025 behandeld, waar DPG Media, vertegenwoordigd door mr. L.L.C. Tordoir, G.E. Leeflang en B. Tijhaar, en het college, vertegenwoordigd door J. van de Sluis, zijn verschenen.
Tijdens de zitting bij de Afdeling is gebleken dat een door DPG Media op 8 september 2025 verstuurd nader stuk niet door de Afdeling is ontvangen. Dit stuk is pas op 13 oktober 2025 bij de Afdeling binnengekomen. Met toestemming van het college heeft DPG een deel van dit nader stuk tijdens de zitting ingebracht. Het stuk dat op 13 oktober 2025 door de Afdeling is ontvangen, heeft zij naar DPG Media teruggestuurd.
Overwegingen
Inleiding
1.       DPG Media heeft het college op 5 augustus 2021 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht om openbaarmaking van informatie. Het verzoek gaat over hoeveel wachtgeld per jaar is verstrekt over de periode 2011-2021, welke wethouder in die periode per jaar wachtgeld ontving en hoe hoog dit bedrag per jaar was. Daarnaast heeft DPG Media verzocht om openbaarmaking van alle documenten over het vertrek van wethouder M.P. Wiersinga over de periode van 8 april 2019 tot en met 29 juli 2021.
Wat heeft het college besloten?
2.       Het college heeft een geanonimiseerd overzicht verstrekt van de totaalbedragen die oud-wethouders per jaar over de periode van 2011 tot 2021 aan wachtgelden hebben ontvangen. Verder heeft het college een e-mail van 17 juli 2021 van burgemeester T. Horn aan de griffie, de gemeenteraad en het college, een deels geanonimiseerde bevestigingsbrief uitdiensttreding Wiersinga, een deels geanonimiseerde loonstaat periode 08/2021 van Wiersinga en een deels geanonimiseerde ontslagbrief van Wiersinga van 17 juli 2021 verstrekt. Het college heeft informatie in de documenten onleesbaar gemaakt omdat het gaat om financiële gegevens en persoonsgegevens van individuele oud-wethouders en ambtenaren. Het college verstrekt deze gegevens niet in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze individuele personen.
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat DPG Media niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten onder het college berusten dan die door het college zijn aangetroffen en gedeeltelijk openbaar gemaakt zijn. Daarnaast weegt het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de oud-wethouders op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob in dit geval zwaarder dan het belang van openbaarmaking, zodat het college terecht delen uit de documenten niet openbaar heeft gemaakt, aldus de rechtbank.
Waarom is DPG Media het niet met de rechtbank eens?
4.       DPG Media betoogt dat de zoekslag onvoldoende is geweest en dat er meer documenten onder het college moeten berusten.
Zij verwijst hiervoor allereerst naar het verweerschrift van het college in beroep, waarin staat dat in de agenda van de burgemeester een telefonische afspraak met de desbetreffende oud-wethouder is aangetroffen. De rechtbank is daar ten onrechte niet op ingegaan.
Daarnaast blijkt volgens DPG Media uit diverse documenten dat WhatsApp binnen de gemeente ook voor bestuurlijke aangelegenheden wordt gebruikt. Het college heeft te kennen gegeven dat er geen ‘bestuurlijke’ berichten via WhatsApp zijn verstuurd, maar dat laat de mogelijkheid open dat er wel voor het Wob-verzoek relevante berichten zijn gestuurd die het college niet als ‘bestuurlijk’ betitelt. De kwalificatie als ‘bestuurlijke berichten’ is niet relevant. Daarnaast heeft het college tijdens de zitting bij de rechtbank gesteld dat het onder medewerkers binnen de gemeente navraag heeft gedaan naar WhatsAppberichten die voor het verzoek relevant zijn, maar is niet toegelicht hoe die navraag is gedaan.
Verder wijst DPG Media op een bijeenkomst van het college op 16 juli 2021 met de fractievoorzitters van de coalitiepartijen op de avond voordat (oud-)wethouder Wiersinga zijn ontslag indiende. Dit betreft volgens DPG Media een bestuurlijke aangelegenheid en het college moet documenten daarover openbaar maken. De rechtbank gaat mee in de stelling van het college dat het een politiek overleg betrof, maar laat na om te onderbouwen waarom het geen bestuurlijke aangelegenheid is.
Ten slotte betoogt DPG Media dat de rechtbank ten onrechte niet ingegaan is op haar verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2679). Die zaak ging over openbaarmaking van informatie over certificering van biologische bedrijven en in het bijzonder over de openbaarmaking van bedrijfsnamen, die veelal gekoppeld zijn aan een familienaam en een woonadres. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat bedrijfsnamen openbaar gemaakt moeten worden, ondanks dat de bij die bedrijven betrokken personen nadeel daarvan kunnen ondervinden. Deze uitspraak is ook relevant voor het voorliggende Wob-verzoek over wachtgelden, aldus DPG Media.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van partij Y
5.       Partij Y heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat dit hoger beroep vervalt als de Afdeling het hoger beroep van DPG Media ongegrond verklaart. De gronden die partij Y heeft aangevoerd, zijn echter niet gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, maar onderschrijven de uitspraak van de rechtbank juist. De Afdeling merkt het door partij Y ingediende stuk daarom aan als een schriftelijke uiteenzetting.
Beoordeling van het hoger beroep
Berusten er meer documenten onder het college?
6.       Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er niet meer documenten onder het college berusten. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3870), onder 5.1. Het betoog van DPG Media dat er meer documenten onder het college berusten, valt uiteen in drie delen. De Afdeling zal daar hierna op ingaan.
- Agenda van de burgemeester
7.       DPG wijst op het verweerschrift dat het college in beroep bij de rechtbank heeft ingediend. Daarin schrijft het college:
"Naar aanleiding van hetgeen is benoemd onder 2.2 van het beroepschrift heeft de burgemeester zijn agenda nogmaals bekeken. Op 14 juli 2021 rond 18.00 uur heeft oud-wethouder Wiersinga de burgemeester gebeld en aangegeven dat hij van plan was zijn ontslag later die week in te dienen. Het daadwerkelijke ontslag is op 17 juli 2021 ingediend."
DPG Media stelt dat hieruit blijkt dat de zoekslag van het college onvoldoende is geweest. Afspraken in de agenda van de burgemeester vallen volgens haar immers onder de reikwijdte van haar Wob-verzoek en het college had die afspraken uit de agenda daarom openbaar moeten maken. Het college heeft toegelicht dat het juist is dat oud-wethouder Wiersinga met de burgemeester heeft gebeld om aan te kondigen dat hij van plan was om schriftelijk zijn ontslag in te dienen. Volgens het college herinnerde de burgemeester zich dat het telefoongesprek is gevoerd toen hij terugkwam van een bepaalde vergadering. Hij heeft zijn agenda geraadpleegd om na te gaan op welke dag en tijdstip die vergadering is geweest. In de agenda van de burgemeester zelf staat geen informatie die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek valt, aldus het college. De Afdeling acht het niet onaannemelijk dat de burgemeester op deze manier heeft achterhaald wanneer het desbetreffende telefoongesprek heeft plaatsgevonden. DPG Media heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitleg van het college niet juist is. Verder heeft zij ook niet aannemelijk gemaakt dat er in de agenda van de burgemeester andere afspraken staan die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen. Het betoog slaagt voor dit deel niet.
- WhatsAppgesprekken
8.       DPG Media heeft aan de hand van een appbericht van een wethouder aan een journalist en een verslag van de presidiumvergadering van 7 juli 2022 weliswaar laten zien dat binnen de gemeente in afwijking van het beleid gebruik wordt gemaakt van WhatsApp, maar daarmee heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat er WhatsAppberichten zijn die onder de reikwijdte van haar verzoek vallen.
8.1.    Het college heeft gesteld dat er geen ‘bestuurlijke berichten’ via WhatsApp zijn verstuurd. Volgens DPG Media is het daardoor mogelijk dat er wel WhatsAppberichten zijn verstuurd die onder de reikwijdte van haar verzoek vallen, maar die door het college niet als ‘bestuurlijk’ worden betiteld. DPG Media stelt dat er geen onderscheid gemaakt hoeft te worden. Bij een Wob-verzoek gaat het om alle WhatsAppberichten die onder de reikwijdte van het verzoek vallen. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat een verkeerde indruk is gewekt en dat bedoeld is te zeggen dat er geen WhatsAppberichten over deze bestuurlijke aangelegenheid zijn.
8.2.    De Afdeling heeft het college tijdens de zitting gevraagd om toe te lichten hoe de zoekslag naar WhatsAppberichten is uitgevoerd. Het college heeft toegelicht dat bij collegeleden en medewerkers navraag is gedaan of zij nog WhatsAppberichten hebben die onder de reikwijdte van het verzoek vallen. Daarbij heeft het college meegegeven met welke zoektermen gezocht, moet worden, zoals de naam van de oud-wethouder en ‘ontslag’. Deze zoekslag heeft echter niets opgeleverd. De toelichting van het college komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. De rechtbank heeft terecht overwogen dat DPG Media geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat er WhatsAppberichten zouden moeten zijn die onder de reikwijdte van het verzoek vallen. Het betoog slaagt voor dit deel niet.
- Bijeenkomst op 16 juli 2021
9.       Niet in geschil is dat op 16 juli 2021 een bijeenkomst heeft plaatsgevonden tussen collegeleden en fractievoorzitters van de coalitiepartijen. Daargelaten of deze aangelegenheid aangemerkt moet worden als een ‘bestuurlijke aangelegenheid’ als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob, heeft het college te kennen gegeven niet te beschikken over documenten over van deze aangelegenheid, zoals een uitnodiging, agenda of verslag. Tijdens de zitting heeft DPG Media een kopie van een e-mailbericht overgelegd die ondertekend en verstuurd is door de fractievoorzitter van Fractie Nieuwe Lijn, waaruit volgens haar blijkt dat er toch documenten onder het college berusten. In het e-mailbericht staat:
"Goedemiddag allemaal, graag wil ik jullie voor de vakantie nog even spreken om een mededeling te doen en dit kan helaas [woord niet leesbaar] niet wachten. Ik wil jullie dan ook verzoeken om morgenavond, vrijdag 16 juli, even om 18:00 naar het gemeentehuis te willen komen zodat ik het e.e.a. met jullie kan bespreken. Het zal niet lang hoeven te duren. Ik dank jullie hartelijk."
Achter ‘Aan:’ staan diverse namen, waaronder die van wethouders. Het is echter niet zichtbaar naar welk e-mailadres het e-mailbericht is gestuurd, zodat niet vast is komen te staan dat dit naar een e-mailadres van de gemeente Epe is gestuurd. DPG Media heeft met het inbrengen van dit e-mailbericht daarom niet aannemelijk gemaakt dat er - in tegenstelling tot de toelichting van het college - documenten over deze aangelegenheid onder het college berusten. Het betoog slaagt ook voor dit deel niet.
Heeft het college de weigeringsgronden juist toegepast?
10.     DPG Media heeft verzocht om openbaarmaking van de hoogte van het wachtgeld - uitgesplist per individuele wethouder per jaar - over de periode 2011-2021. Het college heeft die informatie niet openbaar gemaakt omdat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de oud-wethouders op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob in dit geval volgens het college zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.
10.1.  DPG Media heeft het Wob-verzoek ingediend ten behoeve van haar onderzoek naar mogelijk misbruik van de wachtgeldregeling. Zij heeft erop gewezen dat er drie oud-wethouders van Nieuwe Lijn wachtgeld ontvangen en dat dat vragen oproept over wachtgeld als mogelijk verdienmodel. In het kader van waarheidsvinding wil DPG Media vaststellen welk aandeel de wethouders van deze ene partij hebben in de wachtgelduitkeringen van de gemeente Epe. Volgens DPG Media overstijgt het belang van openbaarmaking van de desbetreffende informatie in dit geval het feit dat openbaarmaking een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de oud-wethouders.
10.2.  De toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob vergt een afweging van het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer tegen het belang van openbaarmaking. Daarbij is van belang dat het uitgangspunt van de Wob, openbaarheid is regel, zwaar in de belangenafweging dient te wegen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1691), onder 4.4. De Afdeling is met de rechtbank evenwel van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. De Afdeling licht dit als volgt toe.
10.3.  Het bedrag aan wachtgeld waarop een oud-wethouder aanspraak kan maken, wordt bepaald aan de hand van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (hierna: de Appa). De voorwaarden waaronder een oud-wethouder aanspraak op wachtgeld kan maken, zijn dus openbaar, evenals welk bedrag de gemeente per jaar in totaal aan wachtgeld uitkeert. Wanneer per individuele oud-wethouder de hoogte van het ontvangen wachtgeld openbaar zou worden gemaakt, zou dat ertoe leiden dat het publiek een direct inzicht wordt verschaft in het inkomen dat de individuele oud-wethouder heeft verworven, nadat hij zijn publieke functie heeft neergelegd. De precieze hoogte en duur van de wachtgelduitkering is ingevolge de Appa afhankelijk van diverse persoonlijke omstandigheden, waaronder diensttijd, leeftijd, (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid en (neven)inkomsten. Het koppelen van de namen aan de wachtgeldbedragen zou daarin inzicht geven en dat kan de betrokken persoon in zijn persoonlijke levenssfeer raken. Daar komt bij dat het college terecht heeft gewezen op het risico van ‘naming and shaming’ en het risico dat zij zich in het openbaar moeten verantwoorden voor het gebruikmaken van hun uitkeringsrecht op grond van de Appa. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:919), onder 7.3, en 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2185), onder 4.1. Verder biedt, zoals partij Y ook heeft toegelicht in zijn schriftelijke uiteenzetting, de Appa veel waarborgen om misbruik te voorkomen. Degene die wachtgeld ontvangt, wordt op grond van de Appa onderworpen aan een streng stelsel met voorwaarden, waaronder regels over re-integratie, sollicitatie en het inzage moeten geven in zijn of haar financiële positie. Daarnaast is er op de gemeentelijke financiën toezicht via de raad en provincie en dient de gemeentelijke jaarrekening, die openbaar is, te worden voorzien van een accountantsverklaring. Er zijn geen onrechtmatigheden in de uitvoering van de wachtgeldregeling bekend.
10.4.  Gelet op het feit dat veel informatie over de wachtgelduitkeringen al openbaar is, waaronder het gegeven dat drie wethouders van één partij daarvan gebruik maken c.q. maakten, en DPG Media slechts een vermoeden uit van een vorm van misbruik van de wachtgeldregeling, weegt het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval zwaarder dan het belang van openbaarmaking. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2679), leidt niet tot een ander oordeel, omdat het in die zaak ging over de openbaarmaking van bedrijfsnamen waarin de familienaam voorkwam, terwijl het in de voorliggende zaak gaat om oud-wethouders, die publieke bekendheid hebben of hebben gehad. Hierdoor is het aannemelijk dat zij na openbaarmaking van de gevraagde gegevens ook met vermelding van hun na(a)m(en) in daarop volgende berichtgeving zullen worden genoemd, waarbij het gevaar van "naming and shaming" bestaat. Daarmee is het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval ook veel concreter en zwaarder wegend aanwezig dan in de door DPG aangehaalde uitspraak van 12 juli 2023. Om die reden is er een relevant onderscheid met de openbaarmaking van de bedrijfsnamen waar het in de uitspraak van 12 juli 2023 om ging.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
Proceskosten
12.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
960