AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke inzageprocedure
De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure. De procedure begon met een verzoek om inzage in persoonsgegevens, waarbij de minister een besluit nam dat deels werd ingewilligd. De rechtbank vernietigde dit besluit en gaf de minister opdracht een nieuw besluit te nemen.
De procedure liep vervolgens via hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De redelijke termijn voor de behandeling van deze procedure bedraagt vier jaar. De termijn werd overschreden met drie maanden, omdat de behandeling van het hoger beroep ruim twee jaar en negen maanden duurde.
De Afdeling oordeelde dat deze overschrijding aan de Staat der Nederlanden is toe te rekenen en veroordeelde de minister tot betaling van een schadevergoeding van €500. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: De Staat der Nederlanden is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
202300609/2/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om schadevergoeding van:
[verzoeker], verblijvend in [plaats],
verzoeker.
Procesverloop
Bij uitspraak van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4945, heeft de Afdeling uitspraak gedaan op het hoger beroep van [verzoeker].
In die zaak heeft [verzoeker] verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. Bij besluit van 22 juli 2021 heeft de minister een verzoek van [verzoeker] om inzage in over hem verwerkte persoonsgegeven deels ingewilligd. Bij uitspraak van 29 november 2022 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2021 vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan.
2. [verzoeker] betoogt terecht dat de procedure niet binnen een redelijke termijn is afgerond. De redelijke termijn bij een procedure als deze bedraagt namelijk vier jaar. In dit geval is deze aangevangen op 29 augustus 2021 met de ontvangst van het beroepschrift van [verzoeker] tegen het besluit van 22 juli 2021. Vanaf die datum tot 15 oktober 2025, de dag waarop de Afdeling uitspraak deed, zijn vier jaar en bijna drie maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met drie maanden is overschreden. Dit is aan de Afdeling toe te rekenen, omdat de behandeling van het hoger beroep twee jaar en negen maanden heeft geduurd. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet daarom een schadevergoeding betalen van € 500,00.
3. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [verzoeker] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen;
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.