ECLI:NL:RVS:2025:4945
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake inzageverzoek persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens
Op 24 juni 2021 verzocht appellant de minister op grond van artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens om inzage in zijn volledige dossier, inclusief rapporten, mutaties, communicatie en audiovisuele opnames. De minister gaf op 22 juli 2021 een deels ingewilligd besluit waarbij slechts twee mutaties werden verstrekt. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en beval een nieuw besluit waarbij ook aanvullende processen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) werden betrokken.
De minister nam op 9 januari 2023 een nieuw besluit waarin de aanvullende processen werden toegevoegd, maar appellant bleef betogen dat het besluit incompleet was en dat niet alle gegevens en verstrekkingen waren vermeld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft tijdens de zitting op 30 juni 2025 de toelichting van de minister op de zoekslagen en gegevensverwerking beoordeeld.
De Afdeling oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er meer politiegegevens over hem waren dan in het besluit vermeld. Wel werd vastgesteld dat de minister ten onrechte geen uitsluitsel had gegeven over de verstrekking van gegevens aan derden, maar dit werd gepasseerd omdat de minister schriftelijk had toegelicht dat deze gegevens niet verder waren verwerkt. Het hoger beroep en het beroep tegen het hernieuwde besluit werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 9 januari 2023 zijn ongegrond verklaard.